Bij het hardlopen werken grote krachten in op het lichaam. Die grote krachten treden vooral in de landing op. Het lichaam valt op het einde van de zweeffase, als beide voeten los zijn van de grond, als het ware naar beneden. Deze valbeweging moet in de landing op één been worden afgeremd. De kracht die er op de landingsvoet werkt is bij een gemiddeld duurtempo al snel 3-4 keer het eigen lichaamsgewicht. Met andere woorden, de voet moet al gauw een gewicht van 200- 300 kg opvangen. Bij alle andere duursporten zoals fietsen, schaatsen of langlaufen zijn de krachten, die verwerkt moeten worden veel kleiner
De grote krachtinzet, die bij het lopen vereist is, is ook de reden, dat conditioneel goed getrainde wielrenners niet zomaar goede lange-afstands lopers zijn. In de landing dreigt de loper ver in het standbeen in te zakken. Spierkracht houdt dit inzakken tegen. Daarbij is niet alleen het tegen gaan van grote bewegingen van belang zoals het ver buigen van de knie, maar moeten ook kleinere bewegingen in de gewrichten door spierkracht begeleid en geregeld worden.
Zo dreigt de binnenkant van de voet ver naar beneden in te zakken (de zogenaamde pronatie) en er dreigen allerlei wring-bewegingen te ontstaan, zoals bijvoorbeeld in de knie (het onderbeen wil naar binnen draaien terwijl het bovenbeen naar buiten wil draaien). Spieren moeten heel alert en nauwkeurig werken om deze bewegingen goed op te vangen. Een belangrijk verschil tussen recreanten en wedstrijdlopers is dat wedstrijdlopers de grote krachten in de landing beter kunnen verwerken en ze zelfs kunnen aanwenden om het lopen makkelijker te laten verlopen.
Of een loper goed met de grote krachten van de landing om kan gaan is overigens niet zo zeer afhankelijk van hoe sterk iemand is, maar is veel meer afhankelijk van hoe goed getimed iemand zijn spierkracht kan inzetten. Als de spieren net iets te laat kracht zetten, wat bij veel recreanten voorkomt, zullen ze hun werk niet goed kunnen doen. Training van de looptechniek is daarom vooral gericht op het op tijd aanspannen van de spieren en veel minder op het vergroten van de spierkracht.


a) de voet in de neutrale stand
b) pronatie, de binnenkant van de voet zakt naar beneden
c) het bovenbeen draait naar buiten en het onderbeen naar binnen
d) er ontstaat wringing in de knie