Zoals we vorige week zagen laten de master wereldrecords zien dat er een duidelijk verval in prestaties is met toenemende leeftijd. Maar wat ligt er eigenlijk ten grondslag aan dit tijdsverval? En is een 10 kilometer tijd van een master te vergelijken met die van een senior?
In de atletiek wordt gebruik gemaakt van zogenaamde correctietabellen. Deze tabellen zijn gebaseerd op de achteruitgang die verwacht wordt per leeftijdscategorie. Deze achteruitgang is zo gelijkwaardig voor de ver
schillende leeftijdscategorieėn dat prestaties op verschillende leeftijden eerlijk met elkaar kunnen worden vergeleken. Een bepaalde tijd wordt vermenigvuldigd met de leeftijdsfactor. Loop je op 50 jarige leeftijd een 10 kilometer in 50 minuten dan komt dit volgens de tabel overeen met 44.45 (50 min x 0.8944) van een senior. Dezelfde tijd op 90 jarige leeftijd houden wordt onmogelijk geacht. Dit zou overeenkomen met een seniorentijd van 21.21, ruim 5 minuten onder het huidige wereldrecord.
De correctietabellen zijn ontstaan uit de constatering dat vermindering van snelheid en kracht gelijk gaan met leeftijd. Ook in een sport als wielrennen is een soortgelijke afname zichtbaar. Interessant omdat er in beide sporten verschillende fysieke en biomechanische processen actief zijn. Dit suggereert dat de leeftijdsgebonden prestatie-afname het gevolg zijn van een algemene afname in menselijke voortbeweging.
Kortere passen
Oudere sprinters behouden hun pasfrequentie. Omdat de snelheid daalt met de jaren betekent dit dat de paslengte afneemt. Onderzoek heeft laten zien dat de kleinere pas te wijten is drie dingen; de type 2 spiervezels zijn onderhevig aan spierafbraak (atrofie), oudere lopers zijn minder goed in staat snel kracht op te bouwen en hun maximale kracht is geringer. De geringere elastische energie van pezen en spieren is waarschijnlijk de oorzaak van de vermindering van kracht en snelheid.
Minder training?
Veel masters rapporteren dat ze minder vaak, minder lang en minder intensief trainen. De reden is voornamelijk dat ze aangeven meer herstel nodig te hebben. Studies laten echter niet zien dat masters ook meer last hebben van blessures. De vermindering van trainingsarbeid lijkt dus vooral om deze blessures te voorkomen. In een studie waarin jongere en oudere lopers hetzelfde trainingsprogramma volgden bleken ze in staat tot dezelfde prestatie.
Meer vet geldt niet voor atleten
Met de leeftijd neemt vaak ook de vetmassa toe. Echter, masteratleten laten deze verandering van lichaamssamenstelling niet zien wanneer ze een stevig trainingsprogramma blijven volgen. Hetgeen wat wel verandert is de structuur en de hoeveelheid spieren. Met het ouder worden veranderen een aantal snelle (en sterke) type 2 spiervezels zodat ze meer gaan lijken op de langzamere type 1 spiervezels. Hierdoor kan een spier in totaal minder kracht leveren en minder snel kracht opbouwen. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat er minder zenuwcellen aanwezig zijn die de type 2 spiervezels aansturen. Deze verandering is ook zichtbaar bij actieve masteratleten.
Minder stijf met het ouder worden
Ondanks training is er met het ouder worden een duidelijke afname in spiermassa. Tussen je 20 en 80e kan je 40% van je spiermassa verliezen. Met als gevolg een ongeveer gelijke afname in spierkracht. En dus verlies van snelheid. Stijver als je ouder wordt? Niet altijd. Tegengesteld aan wat je misschien zou verwachten worden je pezen met het ouder worden minder stijf. Hierdoor ben je minder goed in staat de elastische energie (veerkracht) van deze pezen te gebruiken. Het gaat waarschijnlijk om een afname van ruim 30%. En dus een verder verlies van snelheid.
Gezond ouder worden
Masteratleten worden in de wetenschap nogal eens beschouwd als een uitzonderlijk fenotype en een voorbeeld voor exceptioneel succesvol ouder worden. Het uithoudingsvermogen, kracht, snelheid, balans en cognitieve vermogens is aanzienlijk beter dan van niet-sporters. En hoewel de resultaten van masteratleten afnemen, neemt het niveau van deze prestaties aanzienlijk toe. Zo zou het wereldrecord voor 70-plussers van Ed Whitlock op de marathon (2h54) zou in 1896 goed zijn voor Olympisch eremetaal op deze afstand.
Volgende week: Nabeschouwing WK masters. Een succesvol toernooi voor de Nederlanders?