Training

Talent, wat is het?

Door
Dr Hans Keizer
18 april 2019 00:00
Talent, wat is het?
Vrijwel alle lopers hebben het ervaren: Je hebt een jarenlange trainingsleeftijd, maar wordt gemakkelijk voorbij gelopen door iemand die net begint. Vele topsporters hoor je ook vaak zeggen: ik heb er hard voor getraind en dus moet het er nu uit komen. Frustrerend is, dat het laatste vaak niet opgaat en dat je wat je ook traint niet beter wordt dan die verrekte nieuweling. Die nieuweling heeft blijkbaar meer talent dan jij. Ook de topsporter, die ondanks zijn/haar trainingsinspanningen niet de eerste plaats haalt heeft blijkbaar (iets) minder talent dan de nummer één.

Uithoudingsvermogen wordt bepaald door vele genen

De limiterende factoren voor het duurprestatievermogen zijn: 
1. De VO2max. 
2. Het percentage van de VO2max waarbij de lactaatdrempel ligt. 
3. De loopefficiëntie. 
De VO2max wordt weer bepaald door het maximale hartminuutvolume (HMV) ofwel de pompcapaciteit van het hart, de zuurstofutilisatie van de werkende spieren, die op hun beurt weer afhankelijk zijn van het aantal haarvaatjes (capillairen) rond de spiervezels, het percentage oxidatieve spiervezels, het aantal mitochondriën en de concentratie oxidatieve enzymen hierin. Vele van deze factoren worden weer bepaald door variaties in de DNA sequenties. En met name die zijn in hoge mate erfelijk bepaald. Zo blijken zowel de VO2max, als de trainbaarheid hiervan voor ± 50% erfelijkheid te zijn (Bouchard et al., 1999). Alleen al een VO2max meting van de vader en moeder (vooral zij) is een belangrijke indicatie voor het te verwachten prestatievermogen van de kinderen. 
Het tweede punt waar erfelijkheid een grote rol speelt is de spiervezelverdeling. 

Hiermee bedoelen we hoeveel type 1 of type 2 vezels iemand van nature heeft. Sprinters hebben een hoog percentage snelle, type II vezels, terwijl duuratleten en met name zij met veel talent een relatief hoog percentage type 1 vezels hebben. Eerdere studies maken melding van heel hoge percentages voor ofwel type 1, ofwel type 2 vezels bij respectievelijk duur- of snelheids/kracht atleten, dat toegeschreven werd aan erfelijkheid.  Vandaag de dag is men het er over eens dat erfelijkheid voor ± 45% verantwoordelijk is voor de spiervezel samenstelling (Simoneau en Bouchard, 1995).   

Samenvattend kunnen we stellen, dat zowel de VO2max, de VO2max trainbaarheid en de spiervezelverdeling voor ongeveer 50% erfelijk bepaald zijn. De rest is trainbaar. Uit eigen onderzoek weten we, dat er in Nederland kinderen rondlopen, die nooit aan uithoudingsvermogen-training hebben gedaan, maar zomaar een VO2max hebben van 60ml/kg/min en meer! Als deze kinderen zouden gaan trainen, zou dat getal na een paar jaar uit kunnen komen op waarden van rond de 80-90 ml/kg/min.  Dit zouden de potentiële Olympische kampioenen kunnen worden, tenminste als ze de juiste mentaliteit hebben. 

Is loopefficiëntie belangrijker dan VO2max?

Die vraag kunnen we meteen volmondig met nee beantwoorden. De loopefficiëntie is natuurlijk ook training afhankelijk. Toch is mijn ervaring, dat veel atleten ondanks alle loopscholing hierin weinig vooruit gaan. Waardoor dat komt is een raadsel. Mogelijk speelt loopefficiëntie bij sommige atleten een grotere rol dan bij andere. Zo heb ik vroeger herhaalde malen bij een 5-10km loper wereldklasse waarden voor zijn VO2max gemeten, terwijl zijn tijden nauwelijks tot de Nederlandse top kwamen. Natuurlijk speelt lichaamsbouw/gewicht een belangrijke rol bij de loopefficiëntie. Maar ook de peeseigenschappen, met name die van de achillespees lijken eraan bij te dragen. 

Voorts hebben wij gemeten, dat het lichaam zich aanpast aan de trainingssnelheid waarop men het meest traint met een lagere submaximale O2 opname, een maat voor de loopefficiëntie. Ook het percentage aerobe vezels is bepalend voor de loopefficiëntie, alsmede de neuromusculaire coördinatie. De laatste is het spel van spanning en ontspanning tussen verschillende spiergroepen en is goed trainbaar met de juiste methodieken. Het percentage aerobe vezels kan ook door training verhoogd worden, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan een verbeterde loopefficiëntie.

Hoeveel kan de VO2max toenemen door training?

Normaal kan iemand door training zijn VO2max 20-30% verbeteren. Bij iemand met veel talent kan dat zelfs 40% zijn. Maar er zijn ook mensen, die nauwelijks verbeteren door training. Uit dit alles volgt, dat tegen veel talent niet te trainen is. 
  • Deel dit artikel
  • Facebook
  • Twitter
  • LinkedIn
  • Google+
  • Mail dit artikel:
  • Mail
Auteur
 Dr Hans
Dr Hans Keizer
 Dr Hans  Keizer

Dr Hans Keizer

Redacteur

Heeft de opleiding leraar lichamelijke opvoeding en geneeskunde gedaan en werkte 35 jaar als arts/fysioloog aan de universiteit Utrecht en Maastricht, waar hij in 1983 promoveerde. Hij was winnaar van de prijs voor Sportgeneeskunde, gasthoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Salzburg. Hij was een succesvol atletiektrainer, bondscoach/arts K.N.A.U. en bracht verschillende lopers naar de wereldtop. Hij heeft meer dan 120 wetenschappelijke publicaties op zijn naam.

Verplicht Verplicht
Verplicht
  • Tina
    Wauw, wat een deprimerende artikel. Ik kan dus liever stoppen omdat ik na 6 jaar lopen nog niet veel talent heb laten zien? :-(
    Reactie geplaatst op 27/04/18 om 09:27 uur


Loopkalender

25
juni