Geen probleem. Ik had net 42,2 kilometer hardgelopen, met gevulde Camelbak, en keek vol vertrouwen vooruit naar mijn eerste trailrun over 50 kilometer. Dat mocht geen probleem worden. Het lopen met de rugzak had geen hinder gegeven en de laatste paar kilometers tot aan mijn voordeur waren de snelste van deze recreatieve marathon geweest.
Met het duurvermogen zat het snor.
Een week later liep ik een dik pr op de halve marathon en stelde ik tevreden vast dat ik in de achterliggende maanden ook nog eens een stuk sneller was geworden. Mijn lijf had het toch best wel straffe trainingsregime heel aardig verwerkt. Kom maar op met die Salland Trail!
Mijn ouders wonen tegen de Sallandse Heuvelrug, het natuurgebied waar die prachtige trailrun doorheen slingert. Ik neem steevast loopschoenen mee als ik erheen ga. Je zou een dief van je eigen portemonnee zijn als je daar geen trainingsrondje loopt. Kortom, ik ken het terrein en weet dat het toch anders lopen is dan over de platte pannenkoek die mijn woonplaats omringt. Maar, als ik op vlak terrein met gemak de marathonafstand loop en doe het rustig aan, dan lukt die 50 km over onverhard heuvelgebied ook wel.
Toen ik groen van misselijkheid en met geschaafde knieën over de finish kwam, moest ik concluderen dat ik de huid weer eens had verkocht alvorens de beer te schieten. Ik was – wederom – head first in de valkuil gedoken die zelfoverschatting heet. Stoot een ezel zich geen tweemaal aan dezelfde steen, daar ga ik driedubbel overheen. De eerste kilometers toch te hard gelopen, niet aan mijn plan gehouden en in de eerste 25 kilometer te weinig respect getoond voor de heuvels. Het mogen in Salland dan geen Alpen zijn, ze slopen je toch, die zanderige heuvels. Kilometer na kilometer.
Het tweede deel van de tocht kwam dan ook in het teken staan van overleven. Heuvel op wandelen, naar beneden en op vlakke stukken joggen, hardlopen durf ik het niet meer te noemen. Vlak voor het marathonpunt vergat ik bij een afdaling mijn voeten op te tillen en werd ik gestraft door een boomwortel. Net voor het 45km-punt hadden grapjassen de bordjes verzet bij een afslag en werden we negentig graden de verkeerde kant op gestuurd. Dat kwam mij op bijna twee kilometer extra te staan. Een stevige mentale dreun in dat deel van de run. Maar ook kwam met kilometers 47, 48 en 49 het besef dat ik het in ieder geval ging uitlopen en toch nog onder de vijf uur.
Soms snap je als hardloper tijdens een wedstrijd even niet meer wat je jezelf nu toch weer hebt aangedaan en vooral waarom. Het is verbijsterend hoe snel dat onbegrip weer verdwijnt en hoe je jezelf enthousiast hoort vertellen over de schoonheid van de route, over die tientallen vrijwilligers die urenlang langs het parcours staan. Het is een wonder hoe finishen de pijn doet verdwijnen. (Nou ja, bijna dan.) En het is ongelooflijk hoe mijn hersenen, die me een uur geleden nog adviseerden te stoppen, me direct na binnenkomst vertellen: “Mooi dat je het gehaald heb, maar dat moet de volgende keer soepeler. En zeker sneller.”
Het is gestoord, maar ook fantastisch.



