Rennen doe ik bijna altijd alleen. Een van de voordelen van deze bezigheid is toch dat je op ieder gewenst moment je voordeur uit kunt stappen en kunt gaan sporten. De training wordt nooit afgelast omdat de trainer er niet is of omdat je teamgenoten niet komen opdagen. Jij bent je trainer en je team.
In het afgelopen jaar ben ik voor het eerst wat meer sociaal gaan lopen. Eens in de maand loop ik met een paar vrienden een kilometer of tien in het Amsterdamse Bos. En – helemaal een trendbreuk – eens per week train ik met een groepje onder begeleiding van een trainer. Nooit gedacht dat ik daar zo van zou genieten. Samen afzien is leuk en het in een groepje hardlopen heeft iets heel krachtigs, iets van een galopperende kudde of misschien zelfs van een jagende horde wolven. Running with the pack.
Afgelopen zomer las ik een boek met die titel, geschreven door filosoof en hardloper Mark Rowlands. Fantastisch boek, absolute aanrader. Rowlands schrijft met aanstekelijk enthousiasme en heel veel liefde over zijn ideale loopmaatjes; zijn honden. Hoe hij door zijn uit de kluiten gewassen wolfshond, een eenpersoons sloopbedrijf, wordt gedwongen te gaan rennen. Raakt het beest zijn energie niet kwijt, dan laat hij niets heel van het huis. De filosoof breidt zijn roedel uit naar drie honden, die met hem mee de wereld over reizen. Met zijn vieren trekken ze er iedere dag op uit. In Wales, in Ierland, in Zuid-Frankrijk, in Florida.
Dat beeld, dat romantische beeld van zo’n hondstrouwe meeloper, heeft me niet meer losgelaten. Zo’n vriend voor wie er niets leuker is dan een eind rennen. De blijdschap als hij of zij ziet dat je je schoenen pakt. Het ritmische gerikketik van hondenpoten op het asfalt naast de tragere kaats van mijn eigen voeten. Rowlands heeft het over een gezamenlijke hartslag die in de loop der jaren ontstaat. Prachtig.
Sinds de zomer bekijk ik honden in het park met andere ogen. Ik vraag me af of die vrolijke sprinter ook lange afstanden aan kan. Of dat die grote lobbes harder dan 12 kilometer per uur kan rennen. En zou die speelse achter ieder konijn of elke eend aan gaan? Op internet vond ik een top 20 van de beste ‘running dogs’. De Rhodesian Ridgeback, Viszla, Weimaraner en verschillende types herders- en jachthonden blijken bij uitstek geschikt als loopmaatjes.
Een hond om mee te rennen. Dat lijkt mij dus wel wat. Maar ja, ik woon op zestig vierkante meter op één hoog aan een drukke straat in Amsterdam West. Van de uren dat ik wakker ben, ben ik er negen weg om te werken. Dat kan ik de energieke Rhodesian Ridgeback (Bill) met wie ik in gedachten al maanden hardloop niet aandoen. Hier scheiden onze wegen. Misschien komt er nog eens een tijd. Misschien komt er nog eens ruimte.
Dag, loopmaatje.



