In één keer een kwartier sneller op de marathon. Wat deed hij anders dan vorige keren?

Rob verbrijzelt zijn persoonlijk record op de marathon: hij loopt in één keer een kwartier sneller. Wat deed hij anders dan vorige keren – en wat niet?

‘De Two Rivers Marathon is leuk, in Zaltbommel’, krijg ik vorig jaar als tip mee bij de Zeven Heuvelenloop. Twee rivieren? Nooit van gehoord. Ik bekijk de website en ik raak geïnteresseerd. De rivieren zijn de Maas en de Waal het start- en eindpunt ligt in Zaltbommel. Lekker kleinschalig – ook welk eens leuk na drie jaar dringen op de Rotterdamse Coolsingel.

Dus ik schrijf me in voor Two Rivers. Als het weekeinde aanbreekt blijken de weersverwachtingen niet ideaal te zijn – wat wil je ook, in februari? Er is wat regen, maar er staat vooral een harde wind. Nu is de route een heel groot rondje, dus je hebt de wind net zo vaak méé als tegen. Maar de laatste tien kilometer loop je, zo zie ik op Buienradar, pal tegen een halve storm in. Nou ja, je doet er niks aan. Dus óp naar Zaltbommel.

De start is inderdaad heel kleinschalig en we kleden ons om in de kerk. (Ik heb nog nooit mensen in hun onderbroek in de kerk zien staan – zo maak je nog eens wat mee). Die relaxte sfeer is ook meteen het eerste wat er, voor mij, heel anders is aan deze marathon:

1 – No pressure

Drie keer eerder liep ik een marathon, steeds in Rotterdam. Dan staan mijn vrouw en kinderen, mijn vader en vrienden langs de kant, op 32 kilometer. Leuk, maar het legt de lat wel hoog: uitstappen vóór 32 kilometer is niet echt een optie. Dit keer hang ik mijn marathonpoging niet aan de grote klok.

Bovendien is er bij Two Rivers de mogelijkheid om de halve marathon te lopen, dus als het tegenzit kan ik op 21 kilometer gewoon de bus terug nemen naar het begin, samen met de lopers van de halve marathon. No pressure, ik ben nog nooit zo relaxed aan een marathon begonnen. 

Vandaar ook dat ik in het startvak ook beslis om, in een opwelling, de hazen van 3:45 te volgen. Ambitieus? Zeker, want in Rotterdam liep ik steeds tussen de 4:15 en 4:10. Onhaalbaar?  Waarschijnlijk. Maar ach – geen haan die er naar kraait als het fout gaat. Ik besluit om deze hazen in elk geval te volgen tot 21 kilometer. Gaat het goed, dan probeer ik ze te volgen tot de 30. En daarna valt er sowieso niets meer te kiezen. Na 30 kilometer is het: doorbeuken tot de koek helemaal op is. En dan gewoon verder doorbeuken. Wat moet je anders?

2 – Snel starten

Ik hamer er al jaren op in mijn columns: de drie meest gemaakte fouten tijdens de marathon zijn te snel starten, te snel starten en te snel starten. In Rotterdam start ik altijd achterin mijn startvak, en houd dan keurig rechts zodat de sneller lopers uit het startvak ná mij me goed kunnen passeren. Pas na een paar kilometer kom ik op stoom. Maar misschien ben ik te voorzichtig? In Zaltbommel zetten de hazen er in elk geval meteen de sokken in, dus start ik sneller dan ik ooit.

– Geen technologie

Mijn eerste marathon liep ik op gevoel. Daarna kreeg ik het idee dat ik het hardlopen wat exacter aan moest pakken, en ik probeerde hartslagmeters in alle soorten en maten: van telefoon-apps tot Tomtom-horloges en Garmins.

Maar de technologie haat mij, en dat is wederzijds. Horloges die je hartslag aan de pols meten blijken bij mij sowieso niet te werken. Het kan een minuut duren, een half uur of een uur, maar uiteindelijk slaan ze allemaal op hol en loop ineens met een hartslag van 180.Virtueel dan, want in werkelijkheid, met de vinger aan de pols gemeten, is die pas 125.

Daarna heb ik het nog even geprobeerd met een old school hartslagband, zo eentje die je om je borst moet gespen, die ik koppel aan mijn Garmin 225. Al is dat een beetje alsof je een Volkswagenmotor in je Ferrari zet. Maar ook die hartslagband slaat op hol, uitgerekend op de Erasmusbrug, honderd meter na de start van mijn derde Rotterdam marathon.

En toen was ik er klaar mee: toedeledoki technologie. Als ik een nieuw hardlooprondje voor mezelf uitzet, gebruik ik mijn Runkeeper-app om te kijken hoeveel kilometer het is. En verder laat ik de app uit en het horloge thuis, en loop ik op gevoel.

– Drie keer trainen per week.

Ik loop drie keer per week hard. Nooit meer, zelden minder. Doe dat een paar jaar lang en je kunt blijkbaar een marathon lopen. Vier of meer keer per week trainen mag wel, maar is niet absoluut noodzakelijk.

– Varieer
 
Ik heb jarenlang steeds dezelfde rondjes in hetzelfde tempo gedraaid. Twee jaar geleden begon ik meer en meer te variëren, en dat wierp vruchten af: minder blessures, betere tijden. Tegenwoordig wissel ik tempotraining, intervaltraining en lange duurlopen af. Aangezien ik altijd in mijn eentje loop is fartlek wat moeilijker, maar ook in je eentje kun je best een spelletje van je training maken. Bijvoorbeeld door te proberen om fietsers of skaters zo lang mogelijk bij te houden.

-Minder kilometers trainen

Voor mijn eerste marathon trainde ik traditioneel, met steeds langere duurlopen. Maar al die kilometers braken me op, in de vorm van blessures. Voor mijn derde marathon trainde ik met het sportrusten-schema, waarbij je maximaal loopjes van 16 kilometer maakt. Het leverde me een bescheiden persoonlijk record op (van een paar minuten) maar belangrijker: het bewees dat je geen kilometervreter hoeft te zijn om een marathon te kunnen lopen. (Niet dat Sportrusten een eitje is, overigens. Het is een intensief schema, maar het aantal kilometers is dus beperkt).
En voor Two rivers deed ik maar wat. De Halve van Egmond, als voorbereiding, wat tempotrainingen, intervallen, en een duurloopje van 30 kilometer. Het voelde goed, mijn lijf gaf groen licht, dus ik ging er voor.

– Volg de hazen

Eigenlijk volg ik nooit hazen aan: ik ren graag in m’n eentje. Maar aan de andere kant: in m’n eentje ga ik al snel dagdromen en dan loopt mijn tempo ongemerkt terug. Dus ga ik vandaag in Zaltbommel de hazen van 3:45 achterna. Als ik moet lossen, zo houd ik mezelf voor, word ik wel opgepikt door de hazen van 4:00 of, daarna, die van 4:15. In dat laatste geval zet ik nog steeds een – voor mijn doen – aardige tijd neer.

En het begint geweldig. Tot 21 kilometer houd ik de hazen prima bij, zelfs tot 32 kilometer gaat het nog. Uiteindelijk moet ik rond 34 kilometer lossen. Daar had ik wel op gerekend, dus het is geen klap.

Wat wél een klap is, is de wind. Zodra ik uit de groep ben, loop ik alleen op de dijk met harde wind pal tegen. Echt ideaal, op 34 kilometer in de marathon. Maar goed, ik reken uit dat ik nog acht kilometer moet – en hoe ver is dat nou helemaal? Ik stel mezelf mijn vaste rondje van acht kilometer voor, in de weilanden bij Utrecht. Dat is een eitje toch? 

Ik geloof het bijna zelf, totdat de dijk een bocht maakt en ik achter een paar bomen, heel in de verte, een torenspits zie verschijnen. Leuk, wat zou dat voor plaatsje zijn? Het besef raakt me als een betonpaaltje in de lies. Een vierkante, stompe kerktoren: dat moet Zaltbommel zijn. En dáár is de finish.  Heilige quacamole, wat een eind nog. Ik val spontaan stil en ga lopen.

Na een halve minuut heb ik mezelf herpakt. Ik zit geweldig op schema, ik heb hier de kans om drie persoonlijke records, die vlak bij elkaar liggen,  volledig aan flarden te lopen. Dus gáán. Angstig kijk ik achterom: zie ik ergens de groep  van 4:00 aankomen? Nee hoor – dus het kan nog, dat record.

Vlak bij Zaltbommel gaan we de dijk af, maar de vering in mijn benen werkt niet meer dus bij elke stap naar beneden klappen mijn kaken op elkaar. Niet op letten, dóór nu. Dan aan de rand van het stadje weer even omhoog (welke sadist heeft dat bedacht?), een bochtje door en: de finish! Ik zie de klok op 3:54 staan en kom jankend van vreugde over de streep. Mijn eerste marathon onder de vier uur tijd – wat een mijlpaal.

Een vrijwilliger hangt me liefdevol een reddingsdeken en een medaille om. En ik krijg een kopje soep, waar wellicht vlees in zit maar het interesseert me op dat moment geen lor dat ik vegetariër bent. Trouwens, misschien was het gewoon groentesoep: het enige dat ik proef, is victorie.

PS1: Ik zeg het te weinig, maar: dank aan de hazen en aan alle vrijwilligers die zich in de regen en kou hebben ingespannen om ons lekker te laten lopen.  Jullie zijn bikkels!

Ps2: Ik heb de smaak van kleine marathons te pakken gekregen. Iemand nog tips voor kleinschalige marathons, dit voorjaar of in de vroege zomer?

De beste looptips en inspirerende artikelen 2x per week in je mailbox?

Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief en mis niets!

Meer uit Born Runners