Op de redactietafel in het clubhuis van ProRun ligt de nieuwe RunningNL. Het thema: de toekomst van het hardlopen. In een advertorial over de Stryd 5.0-vermogensmeter staat: “Net als bij wielrennen belooft lopen op vermogen de meest betrouwbare parameter te worden in de loopsport.” Ook lezen we: “Uniek is dat het vermogen direct wordt gemeten vanaf de voet. Het is dus gebaseerd op directe sensormetingen en niet op een schatting.”
Een paar pagina’s eerder klinkt een ander geluid.
In een artikel over zestien toekomstige ontwikkelingen in het hardlopen wordt de stelling “Vermogensmeter: The next big thing” voorgelegd aan coach Thijs Dekiere en profatleet en bio-ingenieur John Heymans. Beiden zijn terughoudend.
De vergelijking met wielrennen wordt gemaakt. Bij een fietsvermogensmeter kan het geleverde vermogen rechtstreeks worden bepaald uit de uitgeoefende kracht en de trapfrequentie. Bij hardlopen ligt dat ingewikkelder. Volgens Dekiere zijn er te veel variabelen en blijft het vermogen uiteindelijk een inschatting die niet nauwkeurig genoeg is.
Wie heeft er gelijk?
Bij ProRun zijn we al jaren enthousiast over lopen op vermogen met Stryd. En één ding is belangrijk om duidelijk te maken: hardloopvermogen is inderdaad niet hetzelfde als het vermogen dat een vermogensmeter op een fiets meet.
Stryd meet met verschillende sensoren wat er tijdens het lopen gebeurt en gebruikt die gegevens om het hardloopvermogen te berekenen. Het getal in watt is dus het resultaat van een model. Maar om het daarom simpelweg een “inschatting” te noemen, doet naar onze mening geen recht aan wat er daadwerkelijk wordt gemeten én aan wat je er in de praktijk mee kunt.
En uiteindelijk is dat laatste voor een hardloper misschien wel het interessantst.
Lopen op vermogen in de praktijk
Gisteren stonden er duizendjes op mijn programma: zeven keer een kilometer op marathonvermogen. Met mijn huidige Critical Power komt dat voor mij neer op ongeveer 270 watt.
Ik koos een recht stuk uit voor mijn intervaltraining: vier keer heen en drie keer terug. Halverwege de training begon het steeds harder te waaien.
Mijn derde kilometer liep ik met wind in de rug. De vierde liep ik hetzelfde stuk terug, recht tegen de wind in.
Het verschil in tempo was groot:
- kilometer 3: 3:51/km bij 272 watt
- kilometer 4: 4:07/km bij 272 watt
Zestien seconden verschil per kilometer, terwijl Stryd voor beide kilometers exact hetzelfde vermogen aangaf.
Opvallend genoeg voelde dat niet zo. De langzamere kilometer tegen de wind in voelde zwaarder. Toch bleef het berekende vermogen vrijwel gelijk en zat ik beide keren net boven mijn beoogde marathonvermogen van 270 watt.
Hetzelfde patroon zag ik bij de volgende herhalingen. Mijn zesde kilometer was met 4:13/km de langzaamste. Daarbij liep mijn AirPower op tot 8%. Tijdens de laatste kilometer had ik veel minder last van de luchtweerstand en liep ik met 3:47/km mijn snelste kilometer. Het vermogen is steeds tussen de 270 en 272 watt.

AirPower geeft aan welk deel van het berekende vermogen volgens Stryd nodig is om de luchtweerstand te overwinnen. Ook zonder wind is er luchtweerstand: je beweegt immers zelf door de lucht. Met stevige tegenwind loopt AirPower op; met wind in de rug kan het juist richting 0% zakken.
Het verschil met lopen op tempo
Hier wordt voor mij de meerwaarde van vermogen duidelijk.
Mijn marathontempo ligt onder ideale omstandigheden rond de 3:55/km. Stel dat ik deze training puur op tempo had uitgevoerd en had geprobeerd alle duizendjes in ongeveer 3:55 te lopen.
De eerste twee herhalingen waren waarschijnlijk prima gegaan, omdat het toen nog veel minder hard waaide.
Bij kilometer drie, met de wind in de rug, had ik moeten afremmen om niet sneller dan 3:55/km te lopen. Mijn intensiteit was dan een stuk lager geweest dan bedoeld.
Bij kilometer vier, recht tegen de wind in, was het tegenovergestelde gebeurd. Om koste wat kost 3:55/km te lopen, had ik aanzienlijk harder moeten werken dan de bedoeling was.
Het tempo was dan misschien constant geweest, maar de belasting niet.
Natuurlijk kun je dat op gevoel corrigeren. Iedere ervaren hardloper weet dat je bij harde tegenwind wat langzamer moet lopen. Maar hoeveel langzamer? Vijf seconden per kilometer? Tien? Vijftien?
Dan wordt het giswerk.
Vermogen geeft me een concreet getal waarmee ik mijn training kan sturen. Niet om iedere seconde voortdurend naar mijn horloge te kijken, maar om te controleren of de intensiteit nog past bij het doel van de training.
Moet hardloopvermogen net zo nauwkeurig zijn als fietsvermogen?
Dat brengt ons terug bij het atikel in RunningNL.
De constatering dat hardloopvermogen niet op dezelfde manier rechtstreeks wordt gemeten als fietsvermogen klopt. Wie verwacht dat 270 watt hardloopvermogen exact dezelfde natuurkundige betekenis en meetnauwkeurigheid heeft als 270 watt op een gekalibreerde fietsvermogensmeter, vergelijkt twee verschillende dingen.
Maar voor een trainingsparameter is een andere vraag minstens zo belangrijk: is de meting consistent genoeg om er je training mee te sturen?
Mijn training van gisteren laat precies zien waarom wij daar wél enthousiast over zijn. Mijn tempo varieerde tussen 3:47 en 4:13 per kilometer door de veranderende wind, terwijl ik mijn vermogen rond het inspanningsniveau kon houden dat bij het doel van de training hoorde.
Het tempo vertelde me dat mijn kilometers enorm verschillend waren. Vermogen vertelde me dat ik ze met een constante belasting liep.
Is de vermogensmeter daarmee “the next big thing” in het hardlopen? Dat moet de toekomst uitwijzen.
Maar dat je er nu al heel gericht mee kunt trainen, staat voor mij na jaren lopen op vermogen wel vast.



