Hoe ik mezelf terugvond in trailrunning

Nieuw boek met inspirerende verhalen over trailrunning

Zoals steeds meer hardlopers heeft de rennende Amerika-correspondent Diederik van Hoogstraten de weg achter zich gelaten om trailrunner te worden. In zijn nieuwe boek Los doet hij verslag van zijn avonturen op de paden rond Los Angeles.

In je eentje een enorme afstand afleggen in de wildernis vergt naast goed eten een precaire mix van geduld, training en zelfkennis. Ga je te snel, te hard of te ver, dan is de kans groot dat je onderuitgaat. Het lastige, besef ik hier in Californië, met nog een paar kilometer te gaan, is dat de hersenen zo veel eerder barrières opwerpen dan noodzakelijk is. Al die twijfel, al dat ‘ik kan het niet’, het eindeloze gevoel van ‘zal ik er toch maar uit stappen?’ Maar zelfbehoud is een oerimpuls, zoals rennen een oeractie is. Wie een uur loopt kan eindeloos lopen, maar wie eindeloos wil lopen, moet onderscheid leren maken. Tussen pijnsignalen bedoeld om op de rem te stappen en werkelijke pijn. Tussen vals alarm en groot alarm. Het verschil ligt voor iedereen anders. Sommige nieuwe runners moeten niet meer dan vijf kilometer op de Veluwe doen. Maar terwijl het lijf in de laatste fase van mijn 50-miler wat broos aanvoelt, is het goed om de woorden van de Nieuw-Zeelandse superloopster Anna Frost in gedachten te houden: ‘Luister, traillopen doet soms pijn.’ Volgens Anna is het een moderne misvatting om te denken dat pijn verkeerd is. ‘Een beetje pijn is goed! Dat betekent groei, ontwikkeling. Daarom doen we het toch? Het betekent dat je leeft. Om te voelen.’

En op dit moment voel ik alles. Op de trails rond mijl 47 zinkt de moed me opeens heel even in de schoenen. Ik heb last van alles tegelijk. Mijn lichaam protesteert en geef het na bijna negen uur intensief bewegen eens ongelijk. Ik voel me oud. Zal ik anders even gaan zitten daar bij die kei?

Wat? Ik hoor doorgaans geen stemmen in mijn hoofd, maar nu roept iets in me: ‘Bullshit!’ Deze voet voor deze voet, verordonneer ik mezelf. Nu moet ik denken aan Ed Vitale, die wel wat weg heeft van jeugdheld Ome Willem. De goede Ed uit de staat North Carolina loopt al decennia. Als gepensioneerde advocaat van bijna tachtig oogt hij als een goedgemutste oud-docent. Warrig krulhaar, een metalen bril. Ik ontmoette Ed niet lang geleden in Colorado en vroeg: ‘Hoe doe je het?’ Hij is kerngezond, niet dun als een ultraloper maar stevig. En vrolijk. Hoe komt het dat hij elke dag kan hardlopen terwijl zo veel leeftijdgenoten kromlopen, passief op de dood lijken te wachten, lijden aan alle mogelijke kwalen? Ook Ed zei dat beweging het antwoord is. Hij is gezond omdat hij loopt, niet andersom. ‘Mijn geheim is traagheid’, fluisterde Ed samenzweerderig. ‘Mijn doel is om gezond te blijven en dat lukt door te hardlopen. Langzaam, gestaag, zonder haast. Maar altijd ga ik vooruit. Sta je stil, dan is het voorbij.’ Het woord ‘grit’ lijkt voor hem uitgevonden: een term voor de handige mix van moed en doorzettingsvermogen.

Op weg naar de finish in het laatste daglicht weet ik wat Ed en Anna bedoelen. De pijntjes zijn opeens verdwenen. Ik ervaar een soort verdoving in mijn hele lijf. Verheffing, misschien is dat het woord. Wanneer ik het ijskoude beekje uit de eerste kilometers opnieuw passeer, stap ik erin, met schoenen en sokken en al. Ik blijf even staan. Het water voelt als een massage van mijn murw gelopen kuiten. Het is doodstil in het bos rond het water. ‘Er zit geen grens aan wat je kunt bereiken’, zei Anna Frost ooit tegen me. ‘Het gaat erom wat je wílt kunnen.’

Dit lange avontuur begon met een simpele gedachte. Het was het idee dat me nog steeds voedt tijdens de van pijn ontdane eindsprint. Ik wil dit kunnen. Of ik het fysiek kon, wist ik niet zeker. De achtjarige twijfelaar die zich vermoedelijk tot het einde der tijden diep in mijn ziel heeft vastgebeten, zette weer eens vraagtekens bij het idee van tachtig kilometer door de bergen rennen op minimalistische trailschoenen. Maar ik herinnerde me van mijn eerste halve en hele marathons op de weg dat die twijfel me ook kon voeden. De strijd was niet met de andere runners, niet eens met de klok. Het ging tussen mij en mezelf, tussen een passief verleden en beweeglijk heden. Ik wist dat ik het moest proberen. Met als brandstof de wetenschap dat ik in evolutionair opzicht goed bezig was en die ene zekerheid van ik wil dit kunnen.

Op de foto met Kelly bij de finishlijn draag ik de Sean O’Brien-wedstrijdmedaille onder een brede grijns. Ik heb wekenlang scherp op mijn voeding gelet, maar straks ga ik bij het voortreffelijke hamburgerrestaurant The Counter eten, waar ik de laatste kilometers al kwijlend over fanta-seerde. Ik weet wat ik neem. Een bacon-cheeseburger, twee glazen ipa-bier, een vanillemilkshake, een extra portie sweet potato fries. Ik zal met Kelly vieren wat ik heb bewezen. De lange, rokende, te zware, doelloze lummel, zoals Opa me gekscherend noemde, kan meer dan men dacht.

Het boek is vanaf dinsdag te koop in de boekhandel

De beste looptips en inspirerende artikelen elke vrijdag in je mailbox?

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en mis niets!

Meer uit Training