Matt Timmermans uit Boxtel beleeft mooie hardloopavonturen in Indonesië, een land waar de hardloopsport de afgelopen jaren enorm is gegroeid. Deze Brabantse ‘bule’ vertelt in dit verslag wat hij leert van het lopen en leven aan de andere kant van de wereld.
Het is half vier ’s nachts in Kebumen, een plaats die je waarschijnlijk niet kent, midden op het Indonesische eiland Java. Ik ben om twee uur opgestaan, sta in het donker tussen duizenden lopers, en wacht. Niet op het startschot. Op het volkslied.
Zo gaat dat hier. Voordat een race in Indonesië begint, klinkt eerst Indonesia Raya. Duizenden lopers, schouder aan schouder, zingen uit volle borst mee. Ik versta de woorden inmiddels en zing zachtjes mee, en het doet iets met me. De omroeper telt af van tien naar één, het startschot klinkt, vuurwerk verlicht de donkere straten, en dan rennen we. Door rijstvelden, in het donker, terwijl af en toe een brommer tussen ons door scheurt.
Op een gegeven moment hoor ik mijn naam. “Matt!” Iemand naast me. “Matt, Matt, ik volg je op TikTok.” Even later weer iemand. En weer. Ik ben de enige buitenlander in deze race van duizenden Indonesiërs, ik loop hier als pacer, en zonder dat ik het door had ben ik in dit land iets geworden wat ik in Nederland nooit had kunnen worden.
Ik kom uit Boxtel. Vier jaar geleden vond ik mezelf al een hardloper omdat ik twee keer per week een rondje door de wijk deed. Hoe ik in een rijstveld bij Kebumen ben beland, en wat hardlopen me onderweg heeft laten zien, is een verhaal dat eigenlijk nergens over gaat. Behalve over hardlopen. En dus over alles.
Van rondjes door de wijk naar de marathon van Tokio
Mijn eerste halve marathon liep ik in 2019 in Eindhoven. Twee jaar later landde ik in Bali, precies toen de wereld op slot ging. Ik bleef hangen. Inmiddels woon ik er vijf jaar.
Ergens diep weggestopt had ik altijd de droom om één keer in mijn leven een hele marathon te lopen. Zoals andere mensen ooit een keer naar Machu Picchu willen. Toen ik in 2024 zag dat de loting voor Tokio openstond, dacht ik: Tokio is dichtbij vanuit Bali. Ik schreef me in zonder te weten dat de kans om geloot te worden ergens rond de één procent ligt. En ik werd geloot.
Vanaf dat moment werd het serieus. In maart 2025 liep ik Tokio in net onder de vier uur. In november van datzelfde jaar volgde Shanghai in 3:34. In oktober loop ik Chicago, in november New York.
Maar dit verhaal gaat niet over die tijden. Het gaat over wat er onderweg gebeurde.
Een grap die uit de hand liep
Ergens in dezelfde periode begon ik een Indonesisch TikTok- en Instagram-kanaal. Het was bedoeld als grap. Ik had jaren eerder Indonesisch geleerd, sprak de taal vloeiend, en ik vroeg me af wat er zou gebeuren als ik gewoon hardloopvideo’s in het Indonesisch ging maken. Wat er gebeurde was dat het werkte. Voor Indonesiërs is het bijzonder om een buitenlander hun taal te horen spreken, en helemaal als die buitenlander praat over iets waar zij zelf ook gek op zijn. Binnen een paar maanden had ik duizenden volgers. In de Albert Heijn in Nederland herkent niemand mij. Bij een race in Indonesië wel.
Bule, bule!
De Indonesische hardloopwereld is niet zoals de Nederlandse. Hardlopen is hier in een paar jaar tijd ontploft. Indonesië heeft inmiddels een van de grootste Strava-userbases ter wereld, en voor een race als de Borobudur Half Marathon, die door de rijstvelden voert en begint en eindigt bij een achtste-eeuwse boeddhistische tempel, moet je geloot worden. Ik heb er ondertussen heel wat gelopen. De halve marathons in Jakarta, Makassar op Sulawesi, Sanur op Bali, Yogyakarta die start en eindigt bij de Prambanan-tempel, Kebumen op een paar uur rijden van Yogyakarta, en Borobudur.
Bij de meeste races kunnen ze de wegen niet helemaal afsluiten. Je rent op één rijstrook met pionnen ertussen, en op de andere rijden gewoon auto’s en brommers. Soms is dat ronduit gevaarlijk. Bij de Sanur Half Marathon eerder dit jaar vond ik het onprettig, omdat je continu moet opletten in plaats van je race te lopen.
Maar wat me elke keer opnieuw raakt, zijn de toeschouwers. Hier staan hele scholen om half zes ’s ochtends op een zondag aan de kant. Met dansers, traditionele muziek en spandoeken. En als ze mij voorbij zien komen, hoor je kinderen ‘bule, bule!’ schreeuwen.
Dat betekent buitenlander. Witte man, om eerlijk te zijn. Het is geen scheldwoord, het is gewoon een vaststelling. Veel van die mensen wonen in dorpjes in afgelegen delen van Java waar nooit een buitenlander komt. En dan komt er ineens een grote Nederlander langsrennen. Wat moet je dan zeggen? Bule dus.
Ik vind het mooi, juist omdat het zo puur en eerlijk is. Geen anonimiteit, geen perfecte organisatie, geen gepoetste tijd. Wel een gemeenschap die je opvangt, naar je zwaait, je water aanreikt en je met de hele klas toeschreeuwt alsof je voor hun land komt rennen. Dat heb ik in een Europese wedstrijd nog nooit zo gevoeld. Misschien is dat het verschil tussen een evenement en een feest.
Waarvoor ik ren
Hoe vaker ik in dat soort dorpjes kom, hoe meer ik besef hoe ver mijn eigen wereld af staat van de hunne. En hoe meer ik me afvraag wat ik met dat besef aan moet. In maart van dit jaar ben ik daarom naar Laos gevlogen. Niet om te lopen, maar om te kijken.
Voor New York heb ik me aangemeld via een charity-plek bij Pencils of Promise, een organisatie die scholen bouwt in Laos, Ghana en Guatemala. Ik wilde eerst met eigen ogen zien wat ze daar deden, voordat ik geld voor ze ging inzamelen. Het is lastig om de juiste woorden te vinden voor wat ik zag. In afgelegen gebieden in Laos zijn er gewoon geen scholen. Of er staat iets wat een school heet, maar wat eruitziet als een kippenhok.
Pencils of Promise bouwt daar échte schoolgebouwen. Ze leiden leraren op. En ze hebben een hygiëneprogramma waarbij de kinderen elke ochtend leren tanden poetsen, hun handen wassen en schoon water drinken. Want voor veel families daar is een tandenborstel een echte uitgave. Ze moeten kiezen tussen een tandenborstel of rijst voor een paar dagen. En dat is geen metafoor. Dat is daar echt een huishoudboekje.
Geboren met een voorsprong
Ik kom uit Boxtel. Ik woon op Bali. Ik ben gemiddeld een keer of twee per jaar in Nederland en de rest van het jaar ergens anders, en hoe vaker ik op andere plekken ben, hoe duidelijker ik zie wat een ongelooflijk privilege het is om in Nederland geboren te zijn. In Nederland hebben we ook onze problemen. Het woningtekort is echt en de boodschappen worden steeds duurder. Maar onze huizen zijn echte huizen, ons onderwijs bestaat, en als alles instort vangt iets je nog op. In grote delen van de wereld geldt geen van die dingen.
Ik heb een hekel gekregen aan de ongelijkheid die ik onderweg tegenkom. Niet als concept, maar als mensen. Als die kinderen met dat krijt. Ik zou het liefst veel meer doen dan een marathon rennen, maar het is in elk geval iets. En een marathon is, als je erover nadenkt, een rare manier om geld in te zamelen. Je doet iets wat zinloos zwaar is, in de hoop dat anderen daardoor iets willen geven aan iets wat wel zin heeft. Maar het werkt. Dus ik ren.
Van Boxtel via Indonesië naar Central Park
Voor Chicago train ik op een tijd onder de 3:20. Voor New York mik ik op 3:40, want New York wil ik vooral beleven. De stad, het parcours, de mensen langs de kant. Voor het eerst in mijn lopersleven gaat een race niet om de tijd. Soms denk ik: wat een gek leven is dit eigenlijk. Een leven dat begon met een rondje door Boxtel, dat me om half vier ’s nachts als pacer in een rijstveld bij Kebumen bracht waar een onbekende naast me mijn naam riep, en dat me straks door Central Park laat rennen voor scholen in Laos.
Toen ik met hardlopen begon, dacht ik dat ik aan het rennen was. Eigenlijk was ik onderweg.
Help je mee om onderwijs bereikbaar te maken voor kinderen die nu zonder school opgroeien? Dat kan via mijn New York-fundraiser: bijdragen? Dat kan hier.




