Ik had er ruim twintig kilometer opzitten en het was prachtig geweest. En loeizwaar. Bos en hei, brede lanen, kronkelende paadjes, boomwortels en losse stenen en vooral klimmen en dalen, veel klimmen en dalen. Ik kwam in de buurt van de stad, nog tien kilometer te gaan, en ik wist dat ik nog wat voor mijn kiezen zou krijgen. Ik had er geen zin in.
Steile asfaltwegen: twee of drie – zo goed had ik me ook weer niet voorbereid – met telkens zestig, zeventig hoogtemeters te overwinnen. Ik begin aan de eerste en kies mijn tempo verstandig. Na honderd meter voel ik: te zwaar, maar dit gaat wel lukken. Op dat moment passeer ik een wielrenster die even is afgestapt. Ze rommelt met haar versnellingen, stapt weer op en zoekt een tempo. Dat blijkt niet zo veel te verschillen van het mijne. Ze komt naast me rijden. Strak, een jaar of 25, blond haar weggestopt in de helm. Ze zegt: ‘Zeven kilometer per uur. Jij gaat goed zeg!’
Ik had mij op dat moment moeten laten wegdragen. Tevreden, gereed om te sterven. Alles is goed.
In plaats daarvan loop ik door en doe net alsof dit allemaal heel gewoon is. Ik probeer mijn gehijg te beperken en kraam wat onzin uit. ‘Is het nog lang?’, vraag ik. ‘Heb je hier vaker gefietst?’ Ze weet het niet, en ze is hier voor het eerst. ‘Zwaar hoor’, voegt ze eraan toe en kijkt weer naar mij.
Dan wil ik haar echt aankijken, maar op dat moment zie ik dat de routebordjes mij rechtdoor een wandelpad zullen opsturen – nog steiler omhoog – terwijl zij met de weg mee een scherpe bocht naar links zal maken. Een beetje vent was lekker op de weg blijven lopen en fijn aan de praat geraakt. Ik pak natuurlijk dat wandelpad.
Ze zwaait: ‘Succes!’



