Ik heb hem misschien al een half uur in het zicht. De afstand is een paar honderd meter. Soms wordt die groter en dan denk ik ‘die is ervandoor’ en soms wordt die kleiner en dan denk ik ‘die ga ik pakken’. In ieder geval is bij ons alle twee het beste er al lang vanaf en tegen de belachelijk harde wind in is het tempo naar een bedenkelijk niveau gezakt.
In de verte zie ik de laatste drinkpost op het strand. De andere loper is gaan wandelen, ik loop nu snel op hem in. Hij staat al een minuutje bij de drinkpost wanneer ik aankom. Vuurrood, verwilderd hoofd. Hij kijkt verward en praat met de twee mannen van de post. ‘Dit kan niet’, zegt hij, ‘ik ga niet verder. Die wind… dat kan niet.’ De mannen knikken. De loper gaat zitten. Ik dacht dat ik er slecht aan toe was, maar ik kijk naar hem en denk: zo zie je er dus uit als je er écht slecht aan toe bent. Hij is klaar.
Ik heb mijn eigen zorgen. Nog vier kilometer strand en drie kilometer duinpad tot de finish, bijvoorbeeld. Ik heb wel besloten dat ik het ga halen. Tegen de wind in blijven hangen en dan maar doorkachelen. Bovendien heeft stoppen geen zin. Op een gegeven moment zou ik dan toch weer verder moeten, want mijn spullen liggen bij de finish en er zijn geen andere vervoersmogelijkheden.
Een klein uur later ben ik er. Dit was geen fijn loopje, gewoon te zwaar. Ik ben misselijk en heb overal pijntjes en al die ellende is ook nog eens mijn eigen schuld, weet ik. Niet fit en dan toch gewoon starten.
Ik staar tien minuten voor me uit en pak dan mijn spullen en loop naar de auto. Dan zie ik een volgende finisher aankomen. Ik vind het onbegrijpelijk. Het is de man die was gaan zitten bij de drinkpost. De man die klaar was. Dat had ik toch zelf gezien? In zijn ogen was het te zien geweest en in zijn hele houding was het te zien geweest: over en uit. En nu komt hij over de finish.
&



