Riem met volle bidons? Ligt klaar, check.
Gelletjes voor de extra energie? Check.
Mueslirepen voor na afloop? Check, hoewel ik niet weet of ze nodig ga hebben. Want het is maar helemaal de vraag of ik de eindstreep ga halen, bij mijn eerste marathon.
De voorbereidingen gaan goed, tot precies twee weken vóór de start. Uitgerekend tijdens de laatste duurloop van het schema houd mijn rechterkuit er mee op. Zonder enige waarschuwing, na een goede warming-up en vijftien kilometer hardlopen: kramp, pijn, over, uit. Hinkend naar huis, door de motregen. Dan duurt anderhalf uur nog best lang.
‘Laat je masseren’, oppert mijn vrouw. Ik bel op goed geluk een fysiotherapeut, en kom – pats – stomtoevallig terecht bij Lutmers fysiotherapie in Utrecht. Waar therapeut Paul Looren de Jong vaak marathonlopers blijkt te begeleiden. Een aantal van hen gaat zelfs ook op ‘mijn’ marathon starten: die van Rotterdam. Soms moet je mazzel hebben.
Na een week rekken en trekken gaat het al veel beter met mijn kuit, en op advies van de fysiotherapeut gooi ik er wat trainingsloopjes tegenaan. Ik loop twee keer acht kilometer in mijn zwaar relaxte marathontempo. Mijn kuit houdt zich goed, dus fijn dat ik mijn startnummer nog niet op Marktplaats heb gezet.
Trouwens, dat startnummer moet ik nog wel ophalen, vlak voor de wedstrijd. En op mijn shirt spelden, en daar heb ik veiligheidsspelden nodig. Zouden er spelden bij het startnummer zitten? Natuurlijk, die krijg je bij elke wedstrijd, toch? Of uitgerekend deze keer niet? Of stel dat je die veiligheidsspelden zelf uit een grote schaal mag pakken, en dat ze nèt op zijn? Dan kan ik mooi dat startnummer niet op mijn shirt prikken. Weg wedstrijd!
Goed, ik moet hier thuis nog ergens wat spelden hebben liggen, van eerdere loopjes. Maar waar? Nergens meer te vinden. Kopen dan, in de winkel! Zijn er nog winkels open? Tuurlijk, het is pas halverwege de middag – tijd zat.
Volgende punt op het lijstje: de reis voorbereiden. Als ik de eerste rechtstreekse trein pak, kom ik om negen uur ’s ochtends aan in Rotterdam. Dat wordt krap: startnummer ophalen, tas afgeven, om tien uur in het startvak staan – ik zou liever een half uurtje extra hebben.
Maar om een half uur eerder in Rotterdam te zijn, moet in met een omweg reizen. En dan moet ik ’s ochtends heel vroeg van huis. Maar aan de andere kant: uitslapen zal ik toch niet, door de zenuwen.
Wacht even: ik kan ook vanmiddag al vertrekken en in Rotterdam een hotel nemen. Maar dan moet ik ook mijn ontbijt meeslepen, want mijn merk muesli hebben ze daar vast niet. Of erger: misschien hebben ze alleen van die cruesli, boordevol suiker. En alleen maar volle melk.
Stel dat ik mijn eigen muesli en mijn eigen halfvolle melk meeneem, hoe houd ik die melk dan koel? Ik heb dus een kamer en een minibar nodig, dan kan ik de sterke drank eruit halen en mijn melk er in zetten. Ik check wat websites, en het blijkt dat alle hotels sowieso al vol zitten.
Dan maar thuis slapen en vroeg opstaan. Ik zal de koffie vast klaarzetten voor morgen. Hoewel, is dat verstandig? De één zegt dat je door koffie water kwijtraakt – dehydratie. Dat moet je beslist niet hebben op je marathondag. De ander zegt dat koffie de vestofwisseling stimuleert, en dat moet je dan weer wèl hebben.
Tenminste, als je lijf na zo’n dertig kilometer rennen inderdaad overschakelt op je vetstofwisseling, zodat je de beruchte man met de hamer tegenkomt. Maar die man hoef je niet tegen te komen als je de afgelopen dagen voldoende koolhydraten hebt gegeten, zodat je lijf een energievoorraadje heeft aangelegd.
Daar heb ik ook een speciaal middeltje voor aangeschaft, ‘pasta-in-poedervorm’, en dat werkt geweldig – zegt tenminste de fabrikant in een filmpje op YouTube. Maar heb ik nu wel voldoende van dat poeder gekomen, of zal ik nog even snel een extra bidonnetje mixen?
‘Pling’ zegt een mail van de organisatie. ‘Succes met de voorbereidingen’, schrijven ze. ‘En vergeet niet om er van te genieten.”
Ook dat nog.
Lees deel 2 : De eerste 10 kilometer
Rob Voorwinden



