De verboden berg

De verboden berg

Thijs Feuth (arts, hardloper, schrijver) schreef een schitterend verhaal voor Mystical Miles. Prorun mag het vast plaatsen.

Over twee weken verschijnt de nieuwe Mystical Miles. Prorun mag alvast een mooi verhaal delen, geschreven door Thijs Feuth.

—-

Is voor de loper niet iedere heuvel of berg, bergachtige heuvel of heuvelachtige berg in wezen een retorische vraag? En, als we het daarover eens zijn, moeten we het Mulanje-massief dan niet zien als de punt onder het vraagteken van de Afrikaanse Riftvallei?

Niet dat er iets mis is met retorische vragen, want ook al ligt het antwoord erin besloten, als een zigzaggend pad zonder al te veel schaduw, er blijft toch voldoende ruimte voor bedenkingen, bijvoorbeeld door je blik af te wenden, de boel te negeren of door een praatje te maken met de mensen voor en achter en naast je, zeg maar half op schoot, in het overvolle minibusje naar de grens met Mozambique.

Net voorbij een bruggetje spring ik eruit. Wilson wacht me op, we klimmen achterop een fietstaxi oftewel een fiets met houten plankje op de bagagedrager, die ons over een wirwar van zandpaden voert.  De plek van bestemming is een klein, bakstenen huisje tussen andere huisjes van klei of hout, her en der aangevuld met plastic of golfplaten, maar dat zie ik de volgende morgen pas want het is donker, pikdonker, onder de adembenemende sterrenhemel van het zuidelijk halfrond. Elektriciteit is er niet. Dit is Malawi. Dit is waar Wilson woont.

De volgende ochtend verzamelen we op een kruispunt van dust roads. Zodra de zon zich losmaakt van de horizon vertrekken we, op laatkomers wordt geen minuut gewacht. Met zijn achten zijn we, twee vrouwen en zes mannen, lopers die ik ondertussen goed ken, want maanden liepen we samen over de paden van rode klei tussen de theeplantages van Thyolo. Wilson, zevenvoudig kampioen, is de onbetwiste leider van de groep. Hij heeft een zachte stem maar keiharde kuiten, en in dit gezelschap zijn het de benen die het spreekrecht opeisen. Geleidelijk verandert het lichte gedribbel in een straffer tempo, iedere glooiing wordt aangegrepen voor geknoei met de versnellingsbak. De vrouwen verdwijnen achter ons uit het zicht, de jongere lopers rennen iets vooruit maar we vegen ze een voor een weer op, kortom, de wetten van het hardlopen doen zich gelden.

Er zijn zwaaiende vrouwen in kleurige chitenga’s en halfnaakte kinderen, kleiner dan hun lach. De wegen voeren langs de glooiende theevelden aan de voet van de berg. Over de berg wordt niet gesproken, en dat hoeft ook niet want de berg spreekt voor zich. De club van de lopers is vernoemd naar de hoogste top ervan. Sapitwa, te vertalen als ‘ga er niet heen’.

Nadien sta ik, beschut door schermen van bamboe, met een stuk zeep onder een emmer met gaten. Het is verbazingwekkend hoe snel het went, het gebrek aan luxe, en de gedachte dat we eigenlijk maar zo weinig werkelijk nodig hebben. Een paar dagen armoede is net als kamperen, morgen stap ik weer op de minibus die me terug brengt naar kraanwater en elektriciteit. Voor Wilson is het net andersom, een of tweemaal per jaar loop hij op uitnodiging een internationale wedstrijd. Misschien dat de luxe even snel went, maar als hij terugkomt moet hij zijn huis restaureren, dat door de overstroming beschadigd is, en iedere kwacha moet drie keer worden omgedraaid om bij een tegenvallende oogst een zak rijst te kunnen kopen.

Er gaan jaren voorbij dat we elkaar niet zien, maar er hangt een ingelijst portret van zijn ouders bij mij thuis aan de muur

Het leven neemt een loopje met ons en als we elkaar dan eindelijk opnieuw zien, zijn we jaren ouder geworden. Wilson heeft een dochter die inmiddels naar school gaat en zijn moeder is tijdens de laatste overstroming overleden. Ik ben naar een ander land verhuisd, op de een of andere manier in een huwelijk beland, maar wat niet is veranderd, is dat we afstand en tijd hardlopend meten.

En al die tijd heeft de berg zijn adem ingehouden.

Wilson is vertrouwd met hem, de berg die boven alles en iedereen uitsteekt. Van kinds af aan drinkt hij het water van de kletterende watervallen en de riviertjes die zich daaruit vormen. Rondom de steile wanden van de berg stapelen de wolken zich op en storten zich leeg en daardoor is deze streek zoveel groener dan verderop. Hij ziet hoe de trotse ceders op de flanken van de berg een voor een sneuvelen en naar beneden worden gedragen omdat hun hout zo geliefd is in verre landen en hij luistert naar de verhalen over de geesten op de berg, onrustige zielen van vergeten voorouders, die zo nu en dan mensen laten verdwijnen. Vandaar dus dat ‘ga er niet heen’ van Sapitwa. Dat de waarschuwing van de berg nog altijd geldt, blijkt wel uit de namen van manhaftige klimmers die jaar in jaar uit door de berg worden opgeslokt.

Het is me wel eens overkomen dat ik een vraag die retorisch bedoeld was, wilde beantwoorden, en dat voelde dan een beetje onnozel. Maar een vraag is pas retorisch als die ook zo wordt opgevat. Verraadt een misplaatste retorische vraag geen arrogantie? De vraag van een heuvel of berg, bergachtige heuvel of heuvelachtige berg zou je ook een uitnodiging kunnen noemen, of zelfs een gebod. We moeten hem beklimmen. Maar voor de Sapitwa-top geldt het omgekeerde, het is een uitdrukkelijk verbod: ga er niet heen.

Ik weet niet wat het precies is dat de mens zo aantrekt in de berg, wat maakt dat zijn vraag geen antwoord behoeft. Er wonen geesten of goden op de berg, en de wijsheid van Zarathoestra rijpte er. Ongetwijfeld speelt het uitzicht een rol, het uitzicht dat we symbolisch opvatten.

We kijken neer op de wereld, op onszelf eigenlijk, en we zien de zaken in een breed perspectief

Jaren voor ik ooit voet op Malawische bodem had gezet, verbleef ik enige tijd in een dal in de Himalaya, omgeven door pieken van achtduizend meter die bijna voortdurend aan het zicht waren onttrokken door het schier oneindige wolkendek van het regenseizoen. Af en toe viel er een gat in de wolken. Ik herinner me een vroege ochtend dat de lucht plotseling volkomen helder was en dat de dichtbij gelegen puntvormige berg weerspiegelde in de perfecte spiegel van het meer. Het was mijn persoonlijke kennismaking met Himavath. Ik was er helemaal alleen, in mijn hardloopkloffie natuurlijk, en ik voelde me klein, nietig, en vooral een heel tijdelijk verschijnsel tegen het decor van deze grandeur. Maar de toeristen komen er niet voor een les in nederigheid, was het maar zo, ze komen er juist om hun zelfvertrouwen op te vijzelen en de hoogste toppen te bedwingen.

Het pad omhoog is grotendeels goed begaanbaar maar er zijn passages waar je je langs de rotsen omhoog moet trekken of waar je stukken grond onder je voeten weg voelt glijden. We zijn met zijn zessen, dezelfde lopers als jaren geleden maar dan zonder de vrouwen. George, de jongste van ons en de snelste nu, verdwijnt telkens uit zicht en wacht ons op. Op een glibberige rots verlies ik even mijn balans, maar dankzij een plant aan de rotswand weet ik me staande te houden. Oho, zegt Wilson als hij omkijkt, voorzichtig jij. En ondertussen gaapt daar de diepte.

Hij was nog een kind toen hij voor de eerste keer won, hier, op het pad omhoog en omlaag, in een wedstrijd die bedoeld was om de snelste aan te wijzen van de gidsen die de berg op hun duimpje kenden. Op blote voeten dribbelde Wilson over de natte klei, hij sprong van steen op steen en het leek of de zwaartekracht op hem geen vat had.

Ik word vader, zeg ik als we het plateau hebben bereikt

Oho, is het antwoord, en dan een daverend gelach (inmiddels ben ik gewend aan de Afrikaanse lach, de lach van goed nieuws, zonder de spot die we gewend zijn van de Nederlandse lach). Vader! Het is de eerste keer dat iemand me zo noemt, vader, al heeft het kind nog een hele tijd te gaan voordat het zich door het geboortekanaal wurmt. Het is ook de eerste keer dat ik erover praat, tot nu toe was het iets tussen Laura en mij.

Maar dat betekent dat we moeten omkeren, zegt Dalitso, die er, in weerwil van de verdwenen klimmers, eerder nog op had gestaan dat we niet zouden keren tot de hoogste top was bereikt. Hij krijgt bijval van Mtambo. Ik voel een rilling door me heen gaan als ik besef dat dit te maken heeft met de vermeende geesten van de berg, al ben ik zelf verre van bijgelovig aangelegd. Met goden en geesten is het zo dat ze niet werkelijk hoeven te bestaan om zich toch te doen gelden. Dat heet spiritualiteit. Het tempo vertraagt en eindelijk lopen we als een hechte groep bij elkaar. Bij het eerste kruispunt van paden draaien we naar rechts, een pad dat langs de waterval naar beneden voert, en het zal nog heel lang duren voordat ik de plek nog eens opzoek. Nu met mijn zoon, twaalf, die over een stel sterke benen beschikt. Rami liep zijn eerste meters toen hij amper een half jaar oud was, en als peuter al trok hij er in zijn eentje op uit voor zijn rondjes door het bos. Er was met hem werkelijk geen houden aan. Als je even niet op hem lette, voelde je de tocht door het huis trekken en dan stond de buitendeur op een kier. Dan wist je wel hoe laat het was; hij was er weer eens tussenuit gepiept. Het had geen zin om hem achterna te gaan want hij schiep er genoegen in om je op een dwaalspoor te zetten. Als geen ander was hij thuis op de wirwar aan bospaden.

Rami mocht van kleins af aan dan wel een flinke loper zijn, praten deed hij nauwelijks. Hij bemoeide zich zo min mogelijk met de andere kinderen. Op school verdween hij wel eens onopgemerkt uit de klas. Ook dan liet hij de deur op een kier en kwam hij pas opdraven op het moment dat de politie was ingeschakeld. Rami is altijd een wat vreemde eend in de bijt gebleven, maar zijn benen dwongen respect af. Eens waagde een klier uit twee klassen hoger hem te confronteren met zijn anders-zijn. Rami fronste zijn wenkbrauwen en trok zijn broekspijpen omhoog. Alleen al de aanblik van zijn kuiten deden de klier afdruipen.

Gek genoeg doen de blauwe en oranje vlinders me aan sneeuwvlokken denken

Ze fladderen alsof ze dwarrelen, maar omhoog in plaats van omlaag. De paarse en blauwe sneeuw verdwijnt in de lucht die helder is. Alleen in de verte drijven wolken.

Ik kan merken dat ik ouder word. Halverwege de helling wegen mijn benen meer dan ik kan dragen en voor we het plateau bereiken moet ik pauzeren omdat mijn ademhaling me heeft ingehaald. Terwijl ik op een uitstekende granietrots zit, wipt Rami van het ene been op het andere. Het is niet de eerste berg waaraan hij zich waagt, maar wel de eerste met geesten. Deze keer zijn mijn vrienden van toen er niet bij. Wilson heeft ons een lunchpakketje meegegeven en verontschuldigde zich met een pijnlijke glimlach toen hij hoorde dat we voor de top gingen, alleen voor de top en voor niets minder dan de top.

In een rugzakje draag ik twee flessen die we vullen bij de waterval en we hebben onze T-shirts om het hoofd gebonden. De kloof waarin het water zich naar beneden stort komt steeds dichterbij en afhankelijk van onze positie zwelt het geraas aan of verstomt het. Rami is me meters voor, ik kijk tegen zijn kuiten aan, schrammen en modder, een druppel bloed, ‘zou hij gevallen zijn?’ schiet het door me heen maar het duizelt me, de hitte, de steen waarnaar ik reik voor steun blijkt een gekko te zijn en van de consternatie verlies ik bijna mijn evenwicht, wacht, stamel ik, maar ik schaam me om mijn zwakte en zo gebeurt het dat ik Rami uit het oog verlies, voor heel even dan want als ik mezelf door de laatste lastige passage omhoog hijs, staat hij me lachend op te wachten. Het wemelt hier van de geesten, pap. We delen het brood dat Wilson ons heeft meegegeven en Rami raadpleegt nog eens het kaartje met de routes. Het is onaangenaam stil, en als we op het punt staan om onze route te vervolgen, trekt Rami wit weg. Ik volg zijn blik, naar de kloof waarlangs we omhoog zijn geklommen. Dunne nevelslierten stijgen op, ze lossen op in de zon, maar er komen er meer, steeds meer. Een, twee tellen ben ik ervan overtuigd dat ik hallucineer, maar dan doemt voor mijn geestesoog de Himalaya op. Het zijn de wolken, Rami. In korte tijd vangen de nevelen ons in een dichte mist. Het witte niets vormt een ondoordringbare muur om ons heen, de wereld is niet groter dan een paar passen doorsnee. Er zit niets anders op dan terug te keren, onder begeleiding van het geraas van de waterval.

Het is de thermodynamica, en daar hebben goden en geesten toch niets mee te maken? Wilson grinnikt, zodanig dat ik me afvraag of er echt geen spot mee gemoeid is. Of is hij gewoon blij ons levend terug te zien?

In een retorische vraag ligt het antwoord besloten, zodat op de vraag alleen een instemmend knikken past. Het alternatief is de vraag compleet te negeren. Met Wilson ben ik nog altijd goed bevriend, maar tegenwoordig woont hij in Zomba. Ook daar is een berg, en ook daar is het land groener dan dat het droog is. Je kunt met de auto naar het plateau en er is daar een luxehotel waar je cappuccino kunt bestellen en ijs. De berg van Zomba stelt geen verbod en houdt er ook geen geheimen op na. De chitenga’s waarin de vrouwen gehuld gaan zijn er stoffig van het zand en de kinderen lachen er ook, maar iets ingetogener. In Mulanje ben ik nooit meer geweest, maar de berg heb ik nog wel eens vanuit de verte gezien toen ik in Thyolo was om een vriend op te zoeken, Dalitso, een van mijn loopmaatjes van weleer. De schemering gaf de berg een violette gloed. Ik wees ernaar. Sapitwa, fluisterde hij.

Het was een antwoord zonder vraag.

 

Wil je meer leesvoer, maar dan op je deurmat? Neem een abonnement op Mystical Miles en dompel je vier keer per jaar onder in mooie verhalen en schitterende foto’s.

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

3 reacties

  • Karin Verheijden

    Prachtig mooi verhaal.

  • Pieter Servatius

    Weer fijn om te lezen, Thijs!

De beste looptips en inspirerende artikelen 2x per week in je mailbox?

Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief en mis niets!

Meer uit Columns & meer