Hulde aan de oude bazen

Over de subtoppers van toen, die elk jaar een minuutje inleveren


Zondagochtend, halfelf.  De miezerregen dwarrelt uit de hemel en ik trek de voordeur achter me dicht. In mijn achterzak drie euromunten: twee voor het inschrijfgeld en een voor de koffie naderhand. Ik zet een dribbelpas in. Zodra ik warm ben komen de eerste warmlopers me tegemoet. Om kwart voor elf dribbel ik de parkeerplaats op en ga de kantine binnen. Ik leg mijn twee euro op tafel en kies voor de vijf kilometer.

Ik kijk om me heen. Bijna iedere deelnemer is een bekende voor me. Niet dat we elkaars’ namen kennen. Wel elkaars’ tijden. Het zijn vooral mannen. Mannen die al hardlopen sinds ze het ene voor het andere been kunnen zetten. Vaak de zestig, misschien wel zeventig gepasseerd, sommigen inmiddels in het bezit van een bourgondische portie buikvet. Daaronder een iets te kort hardloopbroekje, door het vele wassen een vale kleur gekregen. Merkloos en tijdloos. 

Een aantal jaar geleden maakte ik een beginnersfout. Ik onderschatte deze fundamenten van onze hardloopcultuur. Inmiddels weet ik: deze mannen zijn sneller dan ze er uitzien. Voordat ik goed en wel op stoom was, verdwenen zij als stipjes aan mijn hardloophorizon, met hun gekromde ruggen en niet altijd even efficiënte pas. Hun tussentijden zo strak als de zweetbanden om hun hoofd. Dezelfde oude bazen werden mijn steun en toeverlaat in de opvolgende jaren. Lopend in hun schaduw snoepte ik minuten van mijn tijden af. En misschien stiekem ook wel wat seconden van hun tijden. 

Na afloop dronken we dan koffie en sloegen elkaar op de schouder. Hun met zout afgetekende gezichten altijd lachend. Toch vraag ik me af: hoeveel valt er voor hen te lachen? Ooit liepen zij tijden die ik nooit zal lopen. Subtoppers waren het. In de jaren erna hebben ze ingeleverd. Elk jaar een minuut, vertrouwde één van hen me een keer toe. Inmiddels zijn ze ingehaald door drie hardloopgolven. Ze verzekeren me dat ze dolblij zijn dat ze nog kunnen hardlopen. Maar het verval, het inleveren, dat móét toch soms aan ze knagen? 



Zondagochtend, elf uur. Het startschot klinkt. Ik neem mijn positie in achter mijn vaste haasbaas. Na drie kilometer passeer ik hem en versnel. Ik moedig hem aan om vol te houden. Ik finish met dertig seconden winst. Zonder notie van enige tijd finisht mijn haas een minuut na mij. We doen een high five. De zweetband gaat af. Zijn tijd is geweest. Nu is het tijd voor koffie. 

Karen Broekhuizen
Karen Broekhuizen is freelance onderzoeker en tekstschrijver. In het dagelijks leven schrijft zij wetenschappelijke teksten voor universiteiten en ziekenhuizen. Na een studie Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen promoveerde zij in 2012 op haar proefschrift over leefstijlverandering en ziektepreventie en werkte daarna enkele jaren als post-doc onderzoeker.

De beste looptips en inspirerende artikelen 2x per week in je mailbox?

Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief en mis niets!

Meer uit Born Runners