Op pad voor een verplicht nummer van meer dan dertig kilometer asfalt. Als je daar vooraf al in die termen over nadenkt, wordt het zeker geen makkelijk tochtje. En ja hoor: stroef, stroef, de eerste kilometers. Jasje te warm, rugzakje zit niet goed, pijn in m’n heup, heb ik wel genoeg eten bij mij (te veel natuurlijk), waarom vind ik mijn tred niet?
Het zonnige weggetje langs het spoor blijkt een schoolroute. Groepjes kinderen halen mij in. Tien, elf jaar, uitbundig, ginnegappend, balorig. Ze kunnen de hele wereld aan – met hun groepje. Andere weggebruikers moeten dat natuurlijk wel weten en daarom worden die geregeld toegesproken, toegezongen, toegeschreeuwd. Ik ken het verschijnsel van de fietsritjes terug van school met mijn oudste dochter. Met de twee of drie meefietsende vriendinnetjes moest bovenal de voorbije schooldag worden geëvalueerd, maar intussen werd elke kans gegrepen tegemoetkomende fietsers heus dan wel onheus te bejegenen: ‘Hé meneer!’ En maar zwaaien en lachen.
Dan zei ik thuis weer: dat wil een vader niet, dat zijn dochter van tien naar wildvreemde mannen van 40 zwaait en lacht.
Op het zonnige weggetje word ik er twee keer blij van dat kinderen niet altijd luisteren naar hun vader. In het ‘Hallo, meneer!’ van een sprieterig meisje kan ik geen ondertoon van spot ontdekken, dus krijgt ze een opgewekt ‘Dag, mevrouw!’ terug. Daarna komt een groepje van drie jongens naast mij fietsen. Eentje zegt: ‘Goed zo, meneer!’ ‘Dankjewel’, zeg ik. Als ze weer aanzetten, proesten de andere twee het uit. Maakt mij niet uit, ik heb mijn aanmoediging binnen. Het woord ‘goed’ doet wonderen bij mij.
Ik stop. Doe mijn jasje uit, rek mijn heup, stel het rugzakje af en neem een slok water. Lekker buiten, eten en drinken bij me, wat kan mij vandaag gebeuren? Ik loop verder en na honderd meter heb ik mijn tred gevonden. Keurige kinderen hier in de polder.



