Op Lowlands wacht me een verrassing. Op zich is dat niet gek: ik kom er al 15 jaar en maak er altijd wel verrassende dingen mee. Tot een Duitse band die middeleeuwse muziek combineert met techno. En doedelzakken. Dus maak me gek.
Maar de verrassing begint deze keer al thuis. Wegens omstandigheden kan ik pas op zaterdag naar Lowlands, en dat is normaal gesproken jammer omdat op vrijdag veel leuke bands staan geprogrammeerd. Hoe eerder in het weekeinde het publiek binnen is, hoe eerder ze bier gaan kopen, immers. Er moet wel geld verdiend worden, ook in de muziek.
Maar goed, ik kan dus pas zaterdag, en dat geeft me de kans om vrijdagavond nog een lekkere intervaltraining te doen. Dus netto vind ik het helemaal niet zo erg om een dag later naar Lowlands te gaan. Raar? Jazeker – in elk geval voor mij. Want muziek is mijn leven. Zeker het wat ruigere werk, waarbij ik vaak in de pit te vinden ben.
Die ‘pit’ – de ‘moshpit’, in vaktermen – is het gedeelte voor het podium waar de aanwezigen zich bezig houden met het betere spring-, duw- en trekwerk. Het ziet er nogal heftig uit, maar dat valt mee want we zorgen er goed voor elkaar. Zo is de ongeschreven regel dat iedereen die tegen de grond gaat, meteen overeind wordt getrokken door omstanders die een arm, been, T-shirt of wat dan ook van het gevloerde slachtoffer te pakken krijgen.
Aan de andere kant is de pit ook niet helemaal een wandelingetje op zondagmiddag. Mijn zwager brak laatst in Paradiso zijn rib, en zelf ben ik wel eens uit Tivoli thuisgekomen (via een omweggetje langs de EHBO) met zes hechtingen in mijn achterhoofd.
Op zaterdagochtend reis ik dus eindelijk af naar Lowlands. Om de dode uurtjes in de trein en in mijn tentje door te komen, heb ik het boek ‘The inner runner’ van Jason Karp meegenomen. Karp schrijft uitgebreid over de ‘runners high’, en hoe uniek die is – tenminste, hij heeft nog nooit gehoord van de ‘swimmers high’ of bijvoorbeeld de ‘bikers high’.
Dat is verrassing nummer twee, want ik besef hoe gelijk die meneer Karp heeft. En dat ik, om een gevoel van euforie te krijgen, eigenlijk helemaal geen gespring in een moshpit meer nodig heb. Gewoon lekker hardlopen is ruim voldoende. Zo maar, drie keer per week, op een tijdstip dat mij uitkomt en nog helemaal gratis ook.
Aan het einde van het festival, op zondagavond, ontstaat er een perfecte moshpit in de India-festivaltent. Het bandje The Oh Sees gaat los en het publiek doet mee. Een van mijn beste vrienden en trouwe Lowlands-kameraad stort zich schaterlachend in de kolkende massa.
Normaal zou ik direct met hem mee zijn gehold, en nu? Ik aarzel. Ik heb de laatste tijd last van een knieblessure, die net weer even aan de beterende hand is. Ga ik het erop wagen? Stel je voor dat iemand in volle vaart tegen die knie knalt. Dus nee: ik blijf staan. Voor de eerste keer in mijn leven laat ik een moshpit aan me voorbij gaan. Een historisch moment.
‘Waar bleef je nu, ouwe man?’, wil de vriend na afloop weten. Ik mompel maar wat vaags van ‘Ik ga door m’n hoeven’ en ‘last van mijn rug’ en ga beschaamd op zoek naar een kopje koffie. Vlak voor me loopt een twintiger in een T-shirt met de tekst ‘If you think you are to old for rock and roll, you are’. En bedankt voor het inzicht.
Thuisgekomen moet ik concluderen dat ik de prioriteiten in mijn leven blijkbaar wat heb verlegd door het hardlopen. Is dat nu winst? Of word ik een ouwe lul?
Maandagavond doe ik een herstelloopje ter verdrijving van de Lowlands-moeheid. Ik loop in de weilanden, de zon gaat onder en in de verte zie ik de lichtjes van de stad aangaan. Inderdaad: daar kan geen moshpit tegenop. En na afloop blijk ik ook nog een aardige tijd te hebben neergezet.
Nou ja, voor een ouwe lul dan.



