´Dancing isn´t what we do – it´s who we are´, staat er op de muur bij de dansschool waar mijn zoon aan Kung Fu doet (Kung Fu is meer een dans dan een vechtsport, vandaar de dansschool). Het is natuurlijk een beetje kreupel Engels, maar de strekking van de spreuk is overduidelijk: de leden van de school zijn zó vol van hun hobby (of ´passie’, zoals je dat tegenwoordig noemt) dat dansen een belangrijk deel van hun identiteit is geworden. Net zoals hardlopen dat is geworden voor ons, hardlopers.
Het is logisch en verklaarbaar – en levensgevaarlijk, leert de Amerikaanse psycholoog Albert Ellis (RIP). Want als dat dansen of hardlopen wegvalt, zit je opeens in een wel heel diep gat. Je was bezig met diëten, voor je sport. Je was bezig met loopschema’s, met het bijhouden van je kilometers en van je hartslag, met altijd weer de voorbereiding van je volgende wedstrijd. En als je bij een lopersgroepje zit vormt hardlopen ook nog een deel van je sociale leven.
Geeft allemaal niks, natuurlijk, hartstikke leuk en gezellig. Maar als je tegen een blessure aanloopt (en dat gebeurt, als je hardloopt – regelmatig zelfs) dan zit je. Met teveel energie en teveel tijd, en met te weinig structuur en te weinig afleiding in je leven. En dat kan, als het even tegenzit, leiden tot een kleine depressie.
Gelukkig weet Albert Ellis daar raad op. Maar wees gewaarschuwd: voor wie van praten houdt, is er slecht nieuws. Ellis is namelijk nogal een doener. Je hoeft niet op de divan je hele jeugd door te spitten om te kijken of je moeder / vader / huisdier wel echt van je gehouden heeft: je moet aan de slag.
Ellis gaf daarbij graag het goede voorbeeld. Hij was bijvoorbeeld bang om vrouwen aan te spreken: hij dacht dat hij hun eventuele afwijzing niet aan zou kunnen. Dus dwong hij zichzelf om elke dag, in zijn lunchpauze, een praatje aan te knopen met een willekeurige vrouw in het park. Het leverde hem enkele norse afwijzingen op, een enkel leuk gesprek en zeker geen amoureuze toestanden – maar na een maand was hij wel verlost van zijn angst om tegen vrouwen te praten.
Nu heeft Ellis me al door een aantal crises in mijn leven heen geholpen (van de dood van mijn moeder tot een scheiding na een relatie van 18 jaar). Dus moet Ellis toch ook zeker wat zinnigs kunnen verzinnen om over een geblesseerde knie heen te komen? Of nou ja: ik moet het zelf verzinnen, aan de hand van zijn gedachtegoed, want Ellis is niet meer onder ons en moedigde ook het doe-het-zelven onder zijn klanten nogal aan.
Wat zou Ellis zeggen? Het is ontluisterend simpel: ‘hou op met zeuren’. ‘Het zou erg leuk zijn om een volgende marathon te lopen, maar het hoeft niet: je geluk is daar niet van afhankelijk. Bovendien heb jij, beste Rob, 45 jaar leuk geleefd zonder hard te lopen. Op dit moment is het je hobby geworden en zit het even tegen, maar dat is waarschijnlijk tijdelijk. En als permanent is: jammer dan, dan ga je toch wat anders doen?’
Tja, Ellis was duidelijk geen hardloper. Maar hij heeft wel een beetje gelijk: van zeuren wordt je niet beter. Dus hup, de schouders eronder. Ik ga voorlopig maar naar spinning, in de sportschool, en ik probeer met kleine pruts-trainingsloopjes mijn knie weer wat sterker te maken.
Gelukkig gaat het de laatste dagen al weer een klein beetje beter met die knie, en misschien ben ik juist op tijd weer in staat om de marathon van Amsterdam te lopen. Dat zou fantastisch zijn.
Want ja: rennen is niet wat ik doe – het is wat ik ben. Helaas.
Rob Voorwinden



