Weg met dat trainingsschema!

Rob loopt liever op intuïtie, maar wil nu serieus gaan trainen. Hoe wil hij dat doen zonder schema?

Ik ben een alfa, dus gevoel voor cijfers heb ik nooit gehad. En dat wordt lastig nu ik het hardlopen serieus wil gaan aanpakken.

Tuurlijk, in het begin liep ik lekker wat voor de vuist weg, al dan niet onder leiding van een app. Nú moet ik rennen, nú mag ik lopen en nú ben ik klaar en mag ik me de rest van de dag onbehoorlijk tevreden voelen – dat werk. Maar na het lopen van enkele halve en één hele marathon schaf ik een sporthorloge aan en wil ik op de cijfers te gaan letten: afstanden, tijden en hartslagen. En ik vind het zwaar.

Zo worstel ik op dit moment met het verschil tussen ‘pace’ (het aantal minuten dat ik nodig heb om een kilometer te lopen) en kilometers per uur. Dat komt zo: volgend jaar wil ik de marathon van Rotterdam proberen te gaan lopen in minder dan vier uur tijd. Dat moet je ruim zien (of juist krap): met 3:59:59 ben ik een zeer gelukkig man.

Maar welk tempo moet ik daarbij dan aanhouden, gemiddeld? Ik heb mijn Runkeeper-app al jaren op ‘pace’ ingesteld, dus ik ben gewend om in pace te denken. Maar welke pace is nu hoeveel kilometer per uur? Even rekenen: met een pace van 6.00 doe ik 6 minuten over een kilometer, dus loop ik 10 kilometer per uur. Met een pace van 5.00 doen ik 5 minuten over een kilometer, dus loop ik 12 kilometer per uur. Tot zover geen speld tussen te krijgen.

Maar nu is een pace van 6 te langzaam voor me, en een pace 5 te snel, dus ik wil graag een pace van 5 minuten en 30 seconden aanhouden. Nou: als ik met een pace van 5 dus 12 kilometer per uur loop, en met pace van 6 dus 10 kilometer per uur, dan loop ik met een pace van vijfenhalf toch 11 kilomter per uur? Het klinkt volstrekt logisch maar het klopt niet. Het is langzamer, want 11 keer 5 minuten en 30 seconden maakt een uur én dertig seconden. Hoe het kan, die dertig bonusseconden? Ik weet het niet, en ik maak ongetwijfeld ergens een denk- of rekenfout. Maar ik word er wel horendol van.

En dan al die trainingsschema’s: ook zo’n ramp. Deze run moet ik zoveel kilometer lopen met zoveel intervallen om de zoveel minuten met die en die snelheid of hartslag – ik onthoud het nooit.

Ik probeer het dan wel te programmeren op mijn Runkeeper app of in mijn Garmin-horloge, zodat ik tijdens het lopen gewoon de instructies kan volgen. Maar dan wreekt zich het feit dat ik niet op de baan loop maar in vrije natuur, of in de betonjungje van een jaren ’70 flatwijk. En als ik volgens mijn schema moet gaan versnellen, staat er altijd net een stoplicht op rood of komt er een stukje slecht verlicht fietspad aan met losse tegels. Zodat ik, ook rustig lopend, al mijn concentratie nodig heb om niet op mijn plaat te gaan.

En dat is dan alleen nog maar het schema voor één training. Als ik probeer het grote geheel te bekijken, per week of maand, krijg ik als alfa zinnen voor mijn kiezen als: ‘Elke derde week moet de omvang van de lange duurloop worden teruggebracht tot ongeveer tweederde, beginners zouden per week twee keer zoveel kilometers moeten maken als de lange duurloop maar meer gevorderde lopers mogen niet het driedubbele van de lange duurloop overschrijden’. Say again?

En voor de echte liefhebber zijn er dan nog de formules. Met als een van de toppers de regel van Pete Riegel, een hardloper en werktuigbouwkundig ingenieur die dol was op getallen. ‘De formule is eenvoudig’ – het staat er echt, op internet – ‘en luidt T2/T1= (d2/d1)1,07   Hierbij staat d voor de afstand en T voor de benodigde tijd. De formule zegt dus dat als de afstand 2 keer zo groot wordt, de benodigde tijd met een factor 2 1,07 = 2,0994 toeneemt. In feite neemt daarmee de snelheid dus met een factor 2,0994/2= 1,0497 af (circa 5%)’.

Ik kan dit drie keer lezen (nee: ik lieg, ik kan dit driehonderd keer lezen) en dan begrijp ik er nog steeds niets van. Het is geen onwil: zoals elke loper wil ik graag steeds langer en sneller gaan lopen. Maar ik sla gewoon op tilt van rekenen.

Nou ja, voorlopig ga ik maar weer op intuïtie trainen. Als ik me op een dag lekker voel, ga ik er vol tegenaan. Ben ik een beetje brak van de krachttraining, of omdat de tempotraining van eergisteren nog in de benen zit, dan doe ik het rustig aan. En die tempotraining doe ik ook weer volledig op gevoel, net als de lange duurlopen. Ik heb er zelfs een eigen formule bedacht: C = S.

Waarbij C staat voor ‘cijfers’, en S voor ‘stom’.

De beste looptips en inspirerende artikelen elke vrijdag in je mailbox?

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en mis niets!

Meer uit Inspiratie