De beste coach die je ooit hebt gehad
Rob is helemaal klaar met al die trainingsadviezen en schema’s. Voor de marathon van Rotterdam volgt hij alleen nog maar zijn eigen gevoel.
Hell yeah! Na maandenlang gezeur en gezever over blessures, na veel geklaag en als stoïcijns doorzettingsvermogen vermomd zelfmedelijden, heb ik nu weer eens twee volle lekkere trainingsweken achter de rug.
Gisterenochtend heb ik er zelfs een duurloop van 31 kilometer uitgeramd. Ik ben brak, maar niet kapot, en alles doet het nog: hamstring, knie en bil. Bam! Ik ben klaar voor Rotterdam. Nu ga ik het rustiger aan doen tot aan de start – taperen, zoals dat heet.
‘Maar’, hoor ik jullie roepen, ‘dat is veel te vroeg! Taperen voor een marathon doe je twee weken van tevoren, en de Rotterdamse marathon is pas over vier weken. Dit is Niet Volgens Het Boekje.’
Jazeker, jullie hebben helemaal gelijk, maar het punt is: ik ben wel een beetje klaar met het boekje. Want is het je wel eens opgevallen hoeveel dingen je volgens dat boekje wel niet ‘moet’ doen? Je wordt ermee doodgegooid, op internet en op papier. Als je een marathon wilt lopen, moet je minstens zoveel kilometers per week draaien, moet je duurlopen en snelheidstrainingen afwisselen, moet je eerst zoveel halve marathons lopen, moet je minimaal vijf keer per week trainen, enzovoort, enzoverder.
Als ik érgens achter ben gekomen, met al dat blessuregezeur, is dat je maar één ding moet: je moet uitvinden wat voor jou, op dit moment en in deze situatie, werkt. En voor mij is dat dus niet: vijf keer per week hardlopen.
Sterker nog: ik ben juist minder gaan lopen, nu loop nu nog maar drie keer per week. ‘Kennie’, gillen de experts dan. ‘Met drie keer per week hardlopen kun je niet aan de marathon beginnen’. Nou, die 31 kilometer van gisteren heb ik er maar mooi op zitten. En tien erbij lukt misschien ook nog wel, met drie keer per week trainen. En met vier of vijf keer trainen help ik mijn lijf naar de, eh, Filistijnen, dat is de afgelopen maanden wel gebleken. Dus ik ga nu voor drie. En ik zie wel of het voldoende is.
En ik neem dus ook ruim de tijd voor het taperen. Het blessurerisico is te groot – voor mij, nu – om tot twee weken van tevoren vol de beuk er in te gooien. En dat wil niet zeggen dat ik nu de hele maand voor de tv ga zitten – alsjeblieft niet zeg. Ik blijf trainen, maar alleen met wat kortere afstanden. En tussendoor doe ik in de sportschol wat krachttraining, waarbij ik ook niet tot het gaatje ga, en zit ik wat te zweten op de spinningfiets. Ik ben benieuwd of het lukt om op die basis een marathon te lopen. En zo niet, dan doe ik het de volgende keer weer anders.
Het belang van een goede training is dus niet om blind je schema te volgen, of het advies van anderen. Schema’s en adviezen moet je vooral uitproberen, maar uiteindelijk ben jij zelf degene die moet uitvinden of ze voor jou werken. Luister naar je lijf, en leer de signalen te herkennen.
Zo heb je als hardloper natuurlijk altijd last van PHPD: pijntje hier, pijntje daar. En we kennen allemaal het verschijnsel dat er de hele dag iets pijn doet, in je benen, waardoor je twijfelt of je wel moet gaan trainen. Waarna dan, in die training, de pijn geheel verdwenen blijkt te zijn.
En natuurlijk er zijn ook pijntjes die zich ontwikkelen tot blessures, waar je dan omheen moet werken of die je noodgedwongen rust moet geven. Hoe eerder je het ene pijntje van het andere weet te onderscheiden, hoe verder je als hartloper zult komen.
Dus wat je ook doet: luister naar de beste coach die je ooit gehad hebt en die je ooit zult krijgen: je eigen lijf.



