Een pakezel op zeven heuvels

Rob’s recap van de Zevenheuvelenloop

De eerste herfststorm raast over het land, en dus moeten we een tijdje wachten op de vertraagde trein. Nou ja, dat geeft me wel de tijd om mijn medelopers op het perron eens goed te bestuderen. De Zevenheuvelenloop is populair: alleen al op dit kleine stationnetje bij Utrecht staan zo’n twintig deelnemers, schat ik.

Die deelnemers heb je in twee categorieën: de pakezels en de gazellen. De gazellen hebben hun flinterdunne racekleding al aan, en hoeven straks alleen hun piepkleine rugzakje nog maar af te geven bij de garderobe. De pakezels hebben grote sporttassen met hun hardloopkleren, renschoenen, regenjas-voor-vooraf en handdoek-voor-achteraf, hun gelletjes, bidons met sportdrank, recovery drank en wat niet al.

Zelf ben ik een pakezel, want in dunne hardloopkleding krijg ik het snel koud. Beter gezegd: ik ben de keizer van de koukleumen – ik begin al te rillen als ik hartje zomer op de Canarische eilanden per ongeluk door de schaduw van een palmboom loop. Dus heb ik, speciaal voor in het startvak, ook een spuuglelijke maar dikke jaren-tachtig winterjas bij me, die ik voor twee euro heb gekocht bij het Leger des Heils. Mij pakken ze niet.

Ik start in een van de achterste vakken. Als voorzorg. Want ik ken het parcours niet – het is mijn eerste Zevenheuvelenloop. Bovendien zijn heuvels niet mijn specialiteit: in de buurt van Utrecht, waar ik mijn rondjes draai, is alles vlak. En verder heb ik de afgelopen maanden wat gedoe gehad met mijn knie. Rustig aan dus maar.

Om tien voor twee is eindelijk mijn startvak aan de beurt. Ik schop de winterjas onder een geparkeerde auto – toedeledoki, daar ben ik ook weer met ere vanaf gekomen. ‘Hij hoeft niet per sé mee terug te komen hoor’ had mijn vrouw als hint gegeven, en daar ben ik het helemaal mee eens. Er is al genoeg lelijkheid in de wereld. ‘Piep’ door de start, en we zijn op weg.

De eerste twee kilometer doe ik het rustig aan. Ik probeer mijn race op te delen in stukken, en dit stuk is bestemd om op te warmen. Want natuurlijk heb ik van tevoren wel even ingelopen, maar als je daarna een half uur stilstaat in je startvak is het heilzame effect van die opwarming wel weer weg. Ik word door iedereen ingehaald, maar probeer me te beheersen: loop je eigen race.

Van tevoren heb ik ook de hoogteverschillen bestudeerd, en aan het begin van de race zit een lange klim. Even zien wat dat met mijn benen doet. Op vijf kilometer kan ik dan wel mijn wedstrijdtempo gaan aanhouden.

Gelukkig zijn de kilometers goed aangegeven. Bij de halve marathon van Utrecht was dat afgelopen jaar ook zo – tenminste, in de stad. Buiten de stad hield het op, en op kilometer twaalf (of veertien, of zestien – wie zal het zeggen) begonnen lopers te roepen of iemand wist hoe ver het nog was. Niet ideaal.

Hier in Nijmegen is dat het wél, en ik loop lekker tot aan de eerste serieuze afdaling. Auw, dat doet pijn. Ik merk dat ik geen goede afdaaltechniek heb: ik vang mijn lichaam op met mijn knieën, en dat hakt er in. Ja ja, en ik weet het wel: niet proberen af te remmen en je passen soepel afrollen, maar ik krijg het ritme niet te pakken. Mental note to self: inlezen in afdaaltechniek en die uitgebreid uitproberen op het fietspad langs de hoge verkeersbrug over de Lek. Waarom krijg ik mijn beste ideeën altijd als het te laat is?

Daar is het tien kilometer-punt. Ik gooi, volgens plan, de turbo er op. Het gaat nog steeds lekker en ik haal nu zelf een heleboel mensen in. De weg is soms smal, het parcours is druk en niet alle langzame lopers houden rechts. Ik begin me te ergeren, maar goed: wie wilde er zo nodig achteraan in het veld starten? Dus wie moet er nu dus niet zeuren dat het tempo voor hem te laag ligt? Precies.

Twaalf kilometer gelopen, nog drie te gaan. Nu alles uit de kast. Nog zevenhonderd meter, nog driehonderd, en door de finish. In 1.11.55 – voor mij niet slecht. Ik mag de medaille omhangen en krijg het koud in de herfstwind, dus ga ik snel op zoek naar de kleedruimte. In een van de straatjes rond de finish zie ik een spuuglelijke winterjas aan een hek hangen. Het lijkt wel… nee, het ís mijn jas, die iemand blijkbaar behulpzaam onder de auto heeft uitgevist en opgehangen.

Ik doe de jas weer aan: lekker warm. En hij heeft me blijkbaar geluk gebracht, dus mag’ie straks in de grote sporttas weer mee terug.

Tevreden gaat de pakezel naar huis.

De beste looptips en inspirerende artikelen elke vrijdag in je mailbox?

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en mis niets!

Meer uit Inspiratie