Ik heb hardlopen altijd gehaat.
Goed, ik heb het wel een paar keer geprobeerd, toen ik nog jong was: hop naar buiten, meteen vol het gas erop en sprinten tot de totale uitputting (doorgaans na zo’n drie minuten). Waarna ik mezelf dan maar weer naar huis sleepte. Wat daar de lol aan was? Ik snapte het niet, en ik ben er destijds dan ook snel mee opgehouden.
Inmiddels ben ik zo’n dertig jaar ouder, en zo’n jaar of tien geleden begon mijn onderrug mijn leven te vergallen. Ik heb het niet over pijntje hier, pijntje daar – ik heb het over krom lopen schuifelen van de rugpijn. Ik heb het over niet kunnen slapen van de rugpijn, ik heb het over wekelijks naar de drogist voor een nieuwe doos diclofenac rugpijn. ‘Ga toch hardlopen’, bevalen vrienden me aan. ‘Dat helpt’. Mijn eerste, tweede en derde reactie: yeah, right.
Maar uiteindelijk kwamen ze aanvallen zo snel achter elkaar dat ik bereid was om alles te proberen om van de pijn af te komen. Echt alles? Ja. Zelfs, en ik had nooit gedacht dat ik het ooit zou zeggen, hardlopen dus.
Gelukkig zijn er inmiddels smartphones en apps, dus ik download een appje waarmee ik binnen een paar maanden in staat zou moeten zijn om vijf kilometer hard te lopen. Eerste reactie, alweer: yeah, right.
Maar er gebeurt een klein wonder: het werkt! Ik ben vroeger (u had het vast al geraden) gewoon veel te snel van start gegaan. Hardlopen moet je langzaam opbouwen, en dat lukt door hardlopen en wandelen af te wisselen. En daarvoor hoef je alleen maar de bevelen van de chronisch positieve Amerikaanse app-mevrouw op te volgen (‘You can stop now and feel great for the rest of the day’. OK – als ú het zegt…)
De vijf kilometer smaakte naar meer. Naar tien, om precies te zijn. En die tien smaakte naar twintig – of naar 21,1, om precies te zijn. Mijn eerste halve marathon, vorig jaar, loop ik in 1 uur en 50 minuten. Geen podiumplaats, maar hé: wie had dat gedacht, tien jaar geleden? In ieder geval niet mijn rug, die zich trouwens de laatste jaren opvallend rustig houd.
Na de halve marathon komt de Grote Vraag: wat nu? Iedereen raad me een hele marathon af. Ik ben het daar van harte mee eens, totdat ik een gesprek hoor in de kleedkamer van mijn sportclub. Ook daar waarschuwt de ene hardloper de andere voor de gevaren van de hele marathon. Want het is gekkenwerk. Gek-ken-werk, zeg ik je. Ik luister en kan alleen maar denken: Wow, cool! Doe mij gekkenwerk!
Dus ga ik maar een marathonschema’s bekijken. Mijn eerste reactie: inderdaad, gekkenwerk. Elke dag trainen? Echt niet. Ik vergeet de kwestie eventjes, maar het blijft me trekken. Totdat ik opeens tegen een schema aanloop dat me nét haalbaar lijkt. ‘Marathon voor watjes’, heet het geloof ik. Volgens dat schema hoef je maar vier keer per week te trainen. En dat doe ik toch al bijna? Ik loop om de andere dag, dus de ene week train ik drie keer en de andere week vier keer. Het begin is er.
Dus ik volg het schema. Ik verleng mijn duurlopen tot 22 kilometer, op het laatst zelfs tot 30 kilometer. Het gaat – net. Geen idee hoe ik de resterende 12 kilometer ga doorkomen, want de koek lijkt bij 30 kilometer echt op, maar goed: misschien geeft het publiek me vleugels. Dat gejuich mis je toch, zondagochtend in je eentje in de druilerige regen.
Dus ik schrijf me in voor een marathon. Niet zo’n laffe hele marathon waarbij je twee keer het rondje van de halve marathon moet lopen, maar een echte, heuse marathon met een snel parcours van internationale faam.
Twee weken van tevoren ben ik er klaar voor. Conditie op orde, gelletjes voor onderweg uitgeprobeerd, sportdrank zelf gemixt en in eigen bidons aan de riem gehangen. Je weet immers maar nooit wat ze onderweg schenken, en wat dat voor gevolgen heeft voor je lichaam. Niets, maar dan ook niets moet je aan het toeval overlaten.
Tijdens de laatste duurloop van het schema houdt, krak, mijn rechterkuit er mee op. Ik strompel naar huis en kan de volgende dagen niet eens normaal lopen: een dikke vette blessure. Die internationaal befaamde marathon kan ik dus straks voor de televisie volgen, met een kopje thee.
Ik haat hardlopen nog steeds.
Rob Voorwinden



