Ook de Rotterdam Marathon begint bij de 30 kilometer

De start verliep voor Rob voorspoedig en tot het 30 km punt voelde hij zich het ventje. Maar toen begon het pas…

Rob hinkt richting finish

De start verliep nog zo voorspoedig. De eerste rechtstreekse trein van Utrecht naar Rotterdam vertrekt op zondagochtend zo laat, dat je bij aankomst net te weinig tijd hebt om relaxed je startnummer op te halen. Daarom was ik dus vrijdag al een keer op en neer geweest naar Rotterdam om mijn startnummer te scoren. 

En dat betaalt zich zondagochtend terug, want door een aanrijding bij Amersfoort ligt het halve treinverkeer overhoop. Uiteindelijk komen we – een hele trein lopers, opeengepakt als haringen in een ton – om half tien ´s ochtends aan in de Maasstad. Snel naar de kleedkamer en dóór naar het startvak. Geen tijd tekort, maar ook niks over – alles in orde, dus eigenlijk. 

Ik had me voorgenomen om de eerste vijf kilometer niet te snel te lopen (de grootste fout van marathonlopers) en dat lukt – soort van. Hoewel ik later zie dat het nog wel iets langzamer had gekund, maar goed: ik heb me in elk geval niet laten meeslepen tot een tot mislukken gedoemde beginsprint.

Ik haal na 10 kilometer nog twee pace-groepen in die mijn tempo van vorig jaar aanhouden (4 uur 15 minuten), en tot aan de dertig kilometer voel ik me helemaal ik het ventje. 

Maar ja, de marathon begint bij de 30 kilometer. Het lopen gaat steeds moeizamer, in het Kralingse bos krijg ik opeens last van mijn rechterknie en moet ik gaan wandelen. Honderd stappen, tweehonderd stappen, en proberen maar weer. 

Het gaat weer even, en op de Boszoom, op 35 kilometer, loop ik in een aardig tempo omdat er vrienden en familie langs de kant staan (ja, ijdelheid, ijdelheid). Maar daarna is de koek echt op. De totale verzuring slaat toe, mijn linkerkuit schiet af en toe in een kramp. Ik besluit de kuit maar op slot te zetten en mijn linker onderbeen te gebruiken als een soort houten poot, en alle loopbeweging te halen uit mijn heup en knieën. Die daar niet heel blij mee zijn. Honderd meter lopen, honderd meten wandelen – meer zit er niet in.

En mijn voornaam, Rob, die groot op mijn startnummer staat, inspireert veel kijkers tot een opbeurend bedoeld ´Kom op, Rob!´ want dat rijmt zo lekker. Ja jongens, bedankt – maar ik wandel hier echt niet voor m´n lol.

In de stad word ik ingehaald door de twee pacegroepen die ik eerder passeerde – daar gaat mijn persoonlijk record. Nu doorgaan maar, op het tandvlees. Mijn mantra is ´constant forward motion´ – dat heb ik eens in een boek gelezen. En dan één lettergreep per stap: con-stant-for-ward-mo-tion , con-stant-for-ward-mo-tion – niet nadenken, doen.

Zelfs op de Coolsingel moet ik af en toe gaan wandelen in plaats van rennen, en als ik uiteindelijk door de finish kom (netto in 4:18, zo blijkt later) zie ik alles in zwart-wit. Als ik even in een stukje schaduw strompel, begin ik te rillen alsof ik een koortsaanval krijg (zo voel ik me ook). En de banaan die ik krijg gooi ik na één hap weg, omdat ik bang ben dat ik hem er anders uit zal kotsen. Dit is absoluut totaal gekkenwerk, en ik neem me heilig voor om dit nooit maar dan ook nooit meer te doen.

Ik loop naar de kleedkamer, neem mijn recovery-drankje – gewoon chocomel. (Wat heb je nodig om te herstellen? Eiwit en koolhydraten. En wat zit er in chocomel? Precies). En ik tref mijn vrouw, een van mijn zoons en mijn vader – die heel trots op me is maar die me helaas niet heeft zien finishen. ´Dat komt volgend jaar wel, joh´, hoor ik mezelf zeggen. ´Want dan loop ik hier weer.´

Ik meen het nog ook.

De beste looptips en inspirerende artikelen elke vrijdag in je mailbox?

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en mis niets!

Meer uit Inspiratie