‘You’ll never walk alone’, zingt Lee Towers ver weg op de Coolsingel. Ik kan hem niet zien, vanuit mijn startvak ergens achteraan. Maar ik hoor hem wel, net als de stampende beat die er achteraan wordt gespeeld. Dan gaan we aftellen, de adrenaline begint te stromen. 10, 9, 8, 7… We gaan van start bij de marathon van Rotterdam, nu is het er op of er onder. Let’s rock!
Een half uur later is die adrenaline weer weggestroomd, want we zijn nog geen centimeter opgeschoten. Tja, dat krijg je als je – veilig – in het laatste startvak start. Het is mijn eerste marathon, dus ik doe het rustig aan. Als ik achteraan start, kan ik rustig in mijn eigen tempo lopen zonder te worden opgejaagd. En is de kans dat ik anderen inhaal ook groter dan de kans dat ik zelf word ingehaald – een psychologisch voordeel.
Maar dan beginnen we toch eindelijk te lopen. Eerst langzaam, dan wat harder en dan ja: we zijn over de startlijn! Sommige deelnemers hebben zich vooraf warmgelopen, ik niet. Want je weet van tevoren dat je een half uur in je startvak moet wachten, en na die tijd is de heilzame werking van die opwarming al lang weer verdwenen. Gewoon heel rustig beginnen maar.
Het gaat trouwens wel èrg langzaam naar mijn zin. Sommige lopers pakken direct na de start al een klein stukje stoep mee. Ik blijf op de rijweg, het officiële parcours. Want op de stoep staan dranghekken en die poten steken uit, dus voor je het weet blijf je haken en is het einde verhaal. Bovendien: de groep trekt straks wel open, en dan kun je 42 kilometer lang zoveel mensen inhalen als je wilt. Tijd zat.
Op drie kilometer zie ik de eerste loper langs de kant staan, met een vertrokken gezicht zijn kuit rekkend. Een paar honderd meter verder loopt een andere deelnemer, trekkend met zijn been, weer terug in de richting van de start. In zijn hand houdt hij een verkreukeld startnummer. Da’s mooi prut voor ze, en ik heb geen enkele reden om me superieur te voelen. Voor hetzelfde geld liep ik daar zelf, want twee weken terug moest ik middenin een duurloopje nog opgeven met een geblesseerde kuit. Elke stap kan de laatste zijn.
We lopen over de Erasmusbrug naar Rotterdam-Zuid. Als de eerste vijf kilometer er op zitten, moet ook het eerste gelletje er in. De energie uit zo’n gel heeft een uurtje nodig om bij je spieren aan te komen, heb ik gelezen. Dus als je pas een gel neemt op 30 kilometer, is dat prima voor je herstel na afloop maar heb je er niets aan in de marathon zelf. Ik heb drie gels bij me: voor op 5, 15 en 25 kilometer.
Maar eerst komt er een waterpost aan, dus nu niet met een gelletje gaan prutsen. Mensen veranderen van koers, overal liggen lege bekertjes en de grond is kletsnat. Slipgevaar! Even scherp blijven en goed uit mijn ogen kijken.
Als de groep een kilometer verder weer tot rust is gekomen, haal ik mijn gel tevoorschijn. Op de tast, zoals geoefend tijdens de lange duurlopen op zondagochtend. En het mooie is dat je de lege verpakking hier gewoon op straat kunt kieperen – er ligt toch al troep genoeg.
Ok, de eerste gel zit er in. Daar drink ik water bij, want in gel zitten genoeg zouten en mineralen – daar is’ie immers voor. Dus het zou dubbel op zijn om daar sportdrank bij te nemen. Twee bidons met water zitten rechtsvoor en linksvoor in mijn riem, drie bidonnetjes sportdrank achterop.
De jongen voor mij heeft trouwens niet echt een soepele looptechniek. Hij draait zijn bovenlichaam heen en weer en houdt daarbij zijn armen hoog, alsof hij een bokser is die elk moment naar zijn tegenstander kan uithalen. Rocky in Rotterdam. Dat gedraai moet hem bakken met energie kosten. Hoe gaat hij dat 42 kilometer lang volouden?
Maar dan zie ik dat hij een sjerp om heeft, en begrijp ik het: hij is een business runner. Dat zijn deelnemers die een estafette over het parcours lopen, waarbij iedereen dus maar een beperkt aantal kilometers aflegt. Ik hoop dat hij de smaak van het duurlopen te pakken krijgt – maar ik hoop ook dat iemand hem wat tips kan geven over efficiënt bewegen.
Maar goed, ik moet eerst maar zien of ik zélf wel efficiënt blijf bewegen. Het bordje met ’10 kilometer’ komt in zicht. Ik ben dus nog helemaal nergens.
Rob Voorwinden
Lees ook deel 1: De Dag voor de marathon en deel 3 :Tot aan de helft



