Dit is het laatste deel in een vierluik over het marathon debuut van Rob Voorwinden>
Mijn besluit om niet uit te stappen maar om dóór te lopen op 28 kilometer, wordt meteen afgestraft door een tunneltje. We gaan met z’n alleen naar beneden en dat gaat best lekker, maar dan weer naar boven – oef. Mijn benen zijn behoorlijk aan het verzuren.
Ook het besef dat elke stap de laatste kan zijn drukt de stemming. Mijn kuit is immers nog maar een paar dagen hersteld van een blessure. Ik heb in elk geval mijn mobiele telefoon in mijn riem zitten, samen met mijn ov-chipkaart en 20 euro cash. Mocht ik uitvallen, dan pak ik de metro terug naar de kleedkamer – of desnoods een taxi.
Oh fok, ik krijg pijn in mijn rechterknie. Waar komt dat vandaan? Nooit eerder last van gehad. OK, geen paniek – plotseling opkomende pijntjes ken ik van de lange duurlopen. Het recept: ga net iets anders lopen, in een net iets ander tempo, maak net iets langere of kortere passen. En ga vooral niet op het lichaamsdeel in kwestie letten, want dan ga je verkrampt lopen en dat maakt de zaak niet beter.
Ik verplaats de pijn in gedachten naar een ander deel van mijn lichaam. Mijn linkerhand, ja dat wordt hem. Oh oh, wat heb ik toch een pijn in mijn linkerhand, nou nou, poe poe. Daar moet ik maar even héél goed op blijven letten. Na een tijdje is de pijn in mijn linkerhand weer weg. Die in mijn rechterknie ook, trouwens.
De route loopt nu langs door Crooswijk, een Rotterdamse volksbuurt, waar iemand dampende techno over het parcours blaast op een volume waar het hoofdpodium van Lowlands zich niet voor zou hoeven schamen. Lekker!
Ik zit nu boven de 30 kilometer – de langste afstand die ik ooit heb gelopen. Ik begeef me nu op onbekend terrein. Tenminste, figuurlijk, want letterlijk ken ik het hier goed. Ik groeide op in Rotterdam Alexander, dus het Kralingse bos ken ik als mijn broekzak. Hier komt die open plek, die ik altijd vanuit de bus zag, en dan de kruising links naar Hillegersberg waar ik mijn eindexamenfeest vierde met het – toen al belegen – Paradise by the dashboard lights. Stop right there – concentreren nu! Niet denken aan al die herkenningspunten die nog voor de boeg zijn. Dat maakt het lopen er alleen maar zwaarder op.
Daar komt het fietspad maar de Alexanderpolder. Als mijn vrouw en kinderen aan de route staan, dan staan ze daar. Ik had ze niet aangemoedigd om te komen, omdat ik dacht dat ik het toch niet zou halen. Aan de andere kant: ze kunnen me volgen via de app, en als ze zien dat ik de 20 kilometer passeer springen ze misschien in de auto en gooien ze het gas er op… Ja! Ja, daar staan ze! Geweldig! ‘Het gaat hartstikke strak’, roept mijn vrouw Karen. Yes – dat heb ik wel even nodig voor de laatste kilometers.
Maar hoe strak is strak? Ik wordt ingehaald door wat pacers met 4.15 op hun vlaggen, maar ik weet niet zij eerder of later dan ik gestart zijn – misschien heb ik ze zelf al eens ingehaald. Maar het gaat ook niet om de tijd, bij mijn eerste marathon. Ik heb slechts twee doelen. Doel 1: de marathon uitlopen. Doel 2: aan het einde niet dood neervallen.
Op zo’n 39 kilometer staat de laatste waterpost. Opletten nu, het is totale chaos. Mensen houden in, veel wandelen er al, sommigen stoppen om een beker te pakken, anderen zwalken dwars over het parcours. Ik sla deze post over: ogen open houden, geen brokken maken – dat is alles wat nu telt. Water genoeg na de finish.
Een kilometer voor de Coolsingel kan ik alleen nog maar blijven hardlopen door in de maat van mijn passen te grommen als een dolle hond. Mijn benen hebben de strijd al opgegeven, maar mijn hersens weigeren dat te accepteren. Lopen, jullie! De ene stap na de andere! Mijn coördinatie is bijna weg, ik kijk alleen naar de meters voor me: zorg dat de voeten goed neerkomen.
Honderd meter voor de Coolsingel ligt er op een rotonde een stoeprandje in de weg. Ik stap verkeerd, een pijnscheut van mijn tenen tot mijn lies – maar nee, de pijn trekt weer weg. Nu grommend door de bocht door, de Coolsingel op, maar allemachtig wat is die finish nog ver weg. Ik zie hem niet eens. Dóór nu. Eerst het beursgebouw voorbij – eindelijk, daar komt de finish in zicht – dan het stadhuis voorbij, nog twintig meter, nog tien, Holy cow, I think he’s gonna make it!, nog vijf…
Door de finish in (netto) 4:14. Doel 1 – de marathon uitlopen – is bereikt.
Nu doel 2 nog.
Lees ook :



